Previous month:
februari 2011
Next month:
mei 2011

april 2011

Echt bier

Onrust op de gang. De gebogen wat stille man voor me, schuifelt zijn traject door de gangen en lijkt niet aangesloten bij het geroezemoes dat de lange grijze gang heeft bereikt. Zorgvuldig plaatst hij zijn voeten op het versleten mintgroene linoleum, handen stram naast zijn lichaam, het bewegen moe. Gestoken in een wijd bruin kostuum passeert hij, schier onbewogen, de gang naar de kapel. Warme kreten - gevat in de blauwgrijze rook van sigaretten – komen me tegemoet. Uit de schaduw van mijn voorganger loop ik op het geluid af. Een kapel vol met mannen staren naar de blinde muur. Op een groot scherm wordt een voetbalwedstrijd geprojecteerd. Het is zomer 2008 en in een voormalige kloosterkapel zitten tientallen mannen, stijf van het buitenleven, met een sigaret tussen de vingers geklemd, “onze jongens” aan te moedigen. De kapel, al lang niet meer het visitekaartje van onze lieve Heer, kreunt onder oranje slingers en steekt met haar goudkleurige bogen schril af tegen haar bezoekers. De aanvalskreten kaatsen tegen de wanden die – en daar ben ik zeker van – op deze momenten terugverlangen naar de stilteretraites van de nonnen. Zwijgen is immers goud en dat is iets waar “onze jongens” zo hun eigen variant op hebben bedacht. Op zulk soort momenten is het geoorloofd met elkaar te verkeren en de eigen sores even opzij te zetten. Doorgaans wordt er bij zulke gebeurtenissen rijkelijk bier gedronken. Dat is voor een aantal van de supporters in een ver verleden wel eens mis gegaan. Geen nood, we zijn een goede afnemer van een alcoholarm evenementenbiertje, dat onder begeleiding geen kwaad kan.

“Hé directeur, ook een biertje?” roept de grootste feestneus me toe. “Nee dank je, ik moet na nog nadenken vandaag” probeer ik nog, wetende dat ik me met dit soort antwoorden niet staande zou houden in deze oranje orgie. “Nou dat hebben we liever niet, dus neem er nou maar één of drink jij echt bier”?

(column in Haags Straatnieuws april 2011)


De Blinde Kat

Op weg naar de buitenschemer, loop ik, met stromende gedachten de trap af, de deur door naar de binnentuin. Een tuin met volièrevogels, geiten, bomen, struiken en een verdwaalde houten bank. Op het terras de met tegels verzwaarde voeten van parasols. Er tussenuit steken lege metalen buizen even fier als hulpeloos. Flarden van een gesprek waaien langs, als wind die de struiken doet bewegen. "Het is bepaald niet prettig wanneer de buitenwereld - waar ik meer contact mee wil hebben - mij steeds ziet als een dakloze. Ik ben in de kern niet dakloos, geen bewoner en ook geen kunstenaar, ik verblijf hier tijdelijk en dat valt me zwaar." Voor mij kronkelt het slordig met asfalt bedekte tuinpad, het voert me langs de ranken van het klooster en de omheinde weide waar de twee geoormerkte geiten me wezenloos aankijken. Ik mis de blinde kat. Hij schittert letterlijk door afwezigheid; weggelopen, doodgereden, meegenomen? Vaak kruisten we elkaars paden en keek hij schuin omhoog met zijn - door staar - gedoofde ogen. "Gek genoeg kan een blinde kat je nog indringender aankijken dan een ziende", riep ik op een goede dag tegen een van de bewoners die elke ochtend in de tuin staat, pet op, meekleurende brillenglazen op de neus en sigaret tussen de trage lippen. Een meewarige glimlach viel mij ten deel aangevuld met dito stilte waardoor mijn stelling niet alleen werd bevestigd maar ook nog wat langer kon rondzweven boven de geiten die in dat beeld gek genoeg prima pasten. "Na 10 jaar een kamer te hebben gedeeld met een medebewoner heeft een mevrouw gezorgd dat ik nu een eigen kamer heb, ik ben haar nog dankbaar. Maar goed dat is nu ook alweer zo'n 15 jaar geleden."

Ik sta even stil en bekijk de gevel van het klooster, een hoog gebouw, anoniem ingeklemd tussen herenhuizen. Boven de kapel duwt de opkomende wind de wolken tot houtskoolschetsen, die langzaam in elkaar vloeien en grijs afsteken tegen de donkere lucht. Ooit zagen nonnenogen dit ook. "Ik ben bezig met materiaal maar mijn kamer is zo klein dat ik het elke keer weer moet afbreken omdat ik geen ruimte heb." Het beeld van de blinde kat komt nog eens langs, ik kan hem zo voor de geest halen. Grote grijze, doffe ogen waar geen licht meer in kwam. Hij paste prima in de omgeving van dit klooster met haar bewoners. Zou hij zijn eigen plan hebben getrokken?

Rechts achterin de tuin kwetteren tientallen exotische vogels, ergens door opgeschikt, een eigen hoogmis. Is het offer voltrokken? "Ik kijk op niemand neer maar een conversatie is hier niet zo makkelijk, moet u weten." De auto wacht, ik stap en in rijd langzaam het terrein af. De straat en de stad uit om er morgen weer terug te keren, wie weet zie ik hem weer.

"Dank u voor uw tijd, ik wil u verder niet lastig vallen."