Previous month:
januari 2011
Next month:
april 2011

februari 2011

Niet te netjes anders blijven ze..

Jaren geleden sprak ik een medewerker. Slechts enkele maanden werkte ik in de wereld van de maatschappelijke opvang. Mijn trap der verbazing bleek wekelijks nieuwe treden te hebben. De instelling, de mensen die er werkten, woonden, langskwamen, de mensen waarmee we samenwerkten, het leek steeds meer op de achterkant van - een met veel huisvlijt in elkaar gezette - borduurlap vol met symbolen, letters en merktekens. Een raadselachtige wereld in het schemerlicht. Dit keer sprak ik me verbazing uit over de kwaliteit van de inrichting van de voorziening waar zij werkte. Het waren geen beste tijden maar om nu cliënten te laten slapen op – haastige op maat gesneden – schuimrubberen blokken en te laten zitten in met rook vernevelde slecht verlichte ruimtes waarin kapotgesneden plastik bankstellen om voorrang vochten om te worden besprongen en met sigarettenpeuken te worden getatoeëerd, ging mij toch wel aan het hart. Handdoeken waren krijgertjes of meegenomen door medewerkers, lakens kapot en vuil en men at van plastik borden. Ruimte om even rustig te praten was er nauwelijks; de straat was ook binnen.

Nadat ze me aangehoord nam ze een teug van haar filtersigaret, zoog verse lucht langs de brandende tabak haar longen in, blies de rook de ruimte in en antwoordde zelfverzekerd: "nou, het moet natuurlijk niet te mooi worden, anders willen ze niet meer weg." En weer voelde ik een nieuwe trede onder mijn voeten zich aandienen. Haar woorden werden - met de stelligheid van Luther - op een hersendeur vast gespijkerd. Later, toen we wat meer investeerden in het woon- en leefklimaat, lachte ze me wel eens toe wanneer er weer eens wat kapot was gemaakt. Ze lachte haar gelijk en eerlijk is eerlijk, een glimlach kan betoverend werken.

Maar zoals het gaat met betoveringen, niet voor lang.

 


Bamboechinno

Mijn 18 jarige dochter belt me mobiel. In het striemende watergordijn dat op het centrum neervalt en alles in grijstonen verandert, neem ik op. Terwijl ik omslachtig uitleg waar ik ben en hoe zij het beste kan lopen om mij te ontmoeten, onderbreekt ze me. "Ik begrijp waar je bent pap, ik zie je zo". De appel valt niet ver van de boom. We hebben een afspraakje, ergens eten in de stad. Zij komt met de bus, ik wacht op haar op de hoek van de Amsterdamse Veerkade. Turend – het blijft toch je kind – naar waar ze zo moeten opduiken in de regen, vraagt een man of ik geld aan hem wil geven. Mijn antwoord niet afwachtend loopt hij verder met zijn lege hand in de vorm van een kommetje. Het blijft leeg.

Daar is Eva, ze loopt zelfverzekerd naar me toe, begroet me en begint te tieren over de rijlesinstructeur die volgens haar niet goed snik is en levensgevaarlijke toeren uithaalt in de poging haar rijvaardigheid bij te brengen. "Waar zijn we eigenlijk?", vraagt ze zich af terwijl ze knikt naar de kleine winkelramen met exotische namen en dito inrichting en mij verder alleen laat met het verhaal van een man die mijn dochter kennelijk in gevaar brengt. "Uuh, in het centrum dichtbij de Chinese buurt", brul ik tegen de wind in en probeer me een warm eethuisje voor te stellen dat zich binnen enkele minuten aan ons openbaart. Laverend, auto's en fietsers ontwijkend, lopen we gearmd de Bierkade op. Ik zoek houvast, zij laat het los. De rollen keren zich om. De avond valt in.

"Goedenavond" hoor ik, terwijl mijn beslagen bril mij totaal het zicht ontneemt. Ik poets de glazen schoon en kijk recht in een vriendelijk gezicht. De zaak is leeg, op de tafels fikkeren de kaarsen om aandacht. Eva – ook een bril – kijkt met de haar bekende blik onbevangen rond en ziet mij op goed geluk naar een haak aan de muur lopen waarvan ik gok dat het dient als kapstok. De man blijf in mijn ruimte, ontwaart mijn kostuum, en vraagt zich hardop af: "doet u iets sociaals?" Goedgemutst (was het maar waar), klop ik hem op de schouder en zeg "ik doe zeker iets sociaals, zegt de Kessler Stichting u iets?" Eva schat in dat dit even gaat duren en neemt plaats. "De Kessler Stichting? Natuurlijk! U bent terug op uw roots!" zegt de man met een kenmerkende benepen, iets wat hese stem. "U bent immers in het voormalige Burgerhotel de Zon!" Zijn plezier steekt het mijne aan, natuurlijk het Burgerhotel, hier sliepen en aten mensen met een kleine beurs en later ook dak- en thuislozen. "Kijk u ziet het nog op ramen staan" en hij wijst naar het donkere buiten. Voormalige Burgerhotel nu Vegetarisch Eethuis de Zon. Geraakt door dit toeval, zitten we aan en vernemen we het menu van de dag. Eva en ik pakken de draad op, achter haar zie ik het logo van het eethuis, een stralende zon. Buiten vallen regendruppels als lovertjes in het lantaarnlicht. De man, na later blijkt de kok/eigenaar Herman Putman , houdt van een strakke planning. "Wilt u het hoofdgerecht tussen 4 en 7 minuten of binnen een andere bandbreedte?" Duidelijk werd waarom; het eethuis stroomde vol met - zo te zien - bekende en minder bekende gasten. Herman regisseert ijzersterk het orkest en kent elke melodie, elke contact bestaat uit een paar zinnen, zijn hese stem is als een metrum en draagt bij aan de stiltes die een gemoedelijke cadans brengen. Het eten (een bord met een rijke fantasie samengesteld menu) werd afgeruimd en ter afsluiting adviseerde Herman (Her) in plaats van de door mij – als grap – gevraagd beukennootjeskoffie, bamboekoffie of de Italiaanse variant: de bamboechinno.

Eva en ik waren om, op zo'n moment valt alles samen.