Previous month:
juli 2010
Next month:
september 2010

augustus 2010

Alles lijkt zo normaal

Ik parkeer naast het "Kijkgroen". De schommel wiegt zonder kind in de wind, de lage metalen geperforeerde bankjes staren me aan. Op de achtergrond de contouren van een vierkante grijze doos. De gestapelde portocabines van de Nachtopvang vormen een kubistische skyline. Het was weer eens tijd een kijkje te nemen. Losliggende stenen en puin ontwijkend loop ik naar de ingang. Een ijzeren rij een elkaar gelaste wit geschilderde zeecontainers vormen een horizontale mijnschacht. Aan het eind van de schacht de ingang. De ingang die elke dag het einde vormt van een lange dag buiten. En elke ochtend weer een uitgang van het begin van een zelfde lange dag. Vijfenzeventig mannen en vrouwen komen er in en gaan er weer uit. De voetstappen klinken hol en weerkaatsen tegen de ijzeren wanden. Door een getralied gat stroomt licht en lucht binnen. Een bewegingsloze ijzeren long. Er is geen muziek, een viool ontbreekt. Het zieltrekkende instrument, bespeelt door Pandora die alle ruwe en verstopte verhalen uit de gepolijst klankkast laat verlaten zou niet misstaan in deze lange rij containers. Maar de stilte heerst wanneer de mannen en vrouwen geduldig wachten totdat zij naar binnen mogen, hun spullen mogen afgeven, eten, douchen en slapen. En hopen op betere tijden.

Binnen heerst een rustige en vrolijke sfeer. De passanten zijn weg, het gebouw wordt klaargemaakt voor de volgende ronde. Enkele medewerkers ken ik. Een van hen opent zijn armen, houdt ze wijd uit elkaar iets boven zijn hoofd en roept nog voordat ik iets kon zeggen "welkom, er is sinds enige tijd een enorme rust in het PV neergedaald". De ironie en hij hebben een deal, ze beheersen elkaar; een evenwichtskunstenaar met een blijmoedige instelling. Met zijn welkom brengt hij mij in één klap op de hoogte bracht van de stand van zaken. Er waren spanningen in het team, nu zijn ze weg en wordt gewerkt aan de toekomst.

De medewerkers groeten joviaal en zijn trots. De leidinggevende en ik spreken even apart, ze excuseert zich bijna direct. "De mensen willen je zo graag laten zien hoe het nu is en welke vooruitgang we hebben geboekt." Ik beloof een tweede bezoek, zet mijn lippen aan de koffie en luister. Verbazen doe ik me niet meer snel maar toen ik op de hoogte werd gesteld van een kleine bouwkundige aanpassing door één van de oudere medewerkers, overviel me de verbazing toch weer. "Kijk Bram, ik ben bijna 65, werk nog ruim een jaar en maak daar een heel fijn jaar van". Ik heb hem wel eens minder vrolijk gehoord en was blij met deze positieve houding. Prompt nodigde ik hem uit om voor de ingebruikname van de nieuwbouw met nog een aantal (ex) medewerkers de afdeling te komen testen. "Daar houd ik je aan, ik ken alle truckjes!" Geen moment twijfelde ik aan deze uitspraak, nam afscheid en stapte de gang weer in. In de leegte een plastic tasje dat, half vol, ineengezakt tegen de wand van de containerwand aan stond. De schaduw van een vrouw vormde zich voor me, buiten stond ze in de zon een sigaretje te roken; een waakvlammetje. Haar bezittingen lagen al vast bij de deur.

De schommel hing stil, de wind was gaan liggen. Alles lijkt zo normaal.





 


Bedankt voor het praten

Een drukte op de gang, op het slecht verlichte halletje komen vier mintgroene deuren uit. Achter twee van hen wonen mensen, achter de andere twee werken mensen. De drukte is ongewoon, onze buurmannen redden zich best redelijk. Zeker 'onze dove buurman'. Hij klust wat bij een meubelmaker, bezoekt ziekenhuizen en doet boodschapjes. Bijna dagelijks piept hij even om de hoek, vooral bij mijn collega. In zijn kleine ronde hoofd schitteren ondeugende ogen, hij is klein, gedrongen en stijf. Hij draait niet meer met zijn hoofd maar met zijn hele lijf. Dat doet hij vaak in een poging nog iets met zijn goede oor op te vangen van wat je zegt. Zijn zinnen zijn kort, gewend aan zijn eigen doofheid vraagt hij eigenlijk nooit iets, hij zegt vooral iets. En dat in onvervalst Haags met de daarbij behorende Haagse humor en zelfspot. De drukte op de gang is vanwege hem. Hij is ziek, erg ziek. Alle medewerkers komen hem bezoeken en wringen zich in allerlei bochten op zoek naar oplossingen voor de zich plotseling verergerende situatie. Eén ding staat vast: hij blijft hier tot de laatste snik. "Ik ga mijn kamer niet uit" zei hij vastberaden. Zijn huid kleurde geel, zijn tred werd zwak en hij kwam zijn bed niet meer uit.

Mijn collega liep onlangs bij hem binnen en vroeg of ze nog iets voor hem kon doen. Ze dacht zelf aan het bellen van een 'verloren familielid' of iets dergelijks. Zijn ogen fleurde op; "jazeker kan je wat voor me doen, ik heb trek in een ijsje". Een ijsje als laatste wens. Koud en warm tegelijk. Zelf trof ik hem, een dag voor zijn overlijden aan. Liggend in een diepe slaap, een ingevallen gezicht, de neus spits en een onrustige ademhaling.

De dood, die vele gedaanten kent, werd ongeduldig en nam bezit van zijn lichaam. De volgende dag overleed hij. Op zijn kamer. Medewerkers waren bedroefd, moe, aangeslagen en steunden elkaar. Hij woonde er al tientallen jaren, deelde altijd snoep en fruit uit aan de medewerkers en maakte zijn praatjes. En hoewel zijn geheugen soms wat haperde, kende hij je voorkeuren, voor mij was het 'echte slagersleverworst'. Die kwam hij dan brengen vergezeld van een verhaal over een bezoek aan een dokter die hem weer voor 'jaren had goedgekeurd'. Voor mijn collega bracht hij snoep, koek of een appeltje inclusief schilmesje. Zij heeft er zelfs een trommeltje voor aangeschaft; de laatste weken raakte het leeg. "Bedankt voor het praten" riep hij vaak wanneer je eigenlijk geen tijd voor hem had en het gesprek kort hield. Daar stond je dan.

Een half jaar terug liet ik mijn vrouw en mijn jongste dochter mijn werkplek zien. We kwamen de buurman tegen. Hij keek naar mijn vrouw, naar mij en vervolgens naar de kleine meid; ze was vier. "He kleine. Ik heb voor jou wat lekkers" zei hij en gaf haar een Marsreep. Ze nam het aan en at het in de auto op. De eerste Marsreep in haar leven. Nog herinnert ze die 'oude opa die haar iets lekkers had gegeven op jouw werk'. Ik vertel haar niet dat hij is overleden. Zoveel macht wil ik de dood niet geven.

"Bedankt voor het praten", we zullen je missen.

 


Een verlanglijstje

In de half gevulde recreatieruimte, speelden mannen een potje kaart. Klaverjassen, het bridgen van de onderklasse. Boven de sigarettenrooknevel staken vier gebronsde hoofden uit. De grootste van het stel had mij in het vizier en keek me schuin aan. Hij wist wat ik kwam doen en zijn verlegenheid won het van zijn – op straat opgedane en verfijnde – branie. Achter mijn rug hield ik een zilverkleurig fotolijstje met daarin een foto van hem. De foto was toevallig genomen. Een jonge fotograaf had de opdracht mij te vast te leggen voor een jaarverslag, kwam te vroeg en ontmoette hem toen hij "een bakkie aan het doen was." Hij maakte dankbaar gebruik van elke kans die hem verloste uit de klauwen van verveling en poseerde. He directeuahr, je ken gaan zittuh hoar, ik heb als proefkunijn gediend, waren de begroetingszinnen bij mijn binnenkomst. Drie man in een hele grote en lege zaal. Flitsen, anders zitten en tien minuten later brak de jonge fotograaf zijn stellage weer af. Ken ik die foto van mij krijguh? Vroeg hij schuchter. "Uiteraard", zei de jonge fotograaf, "ik stuur hem wel toe". Weken later was de foto binnen en hebben we er een lijstje omheen gekocht. De grote man die graag het initiatief nam in gesprekken, viel stil toen hij zichzelf bekeek. Een blos kleurde zijn verweerde huid, zijn ogen werden nat.

Terwijl hij zichtbaar aangeslagen de kaarten had neergelegd, grepen de maatjes hun kans."Man wat ben je lelijk, in het echt ben je knapper." En, "Dat jij houdt op papier! Van mij heeft alleen de politie een foto." Het ginnegappen verstomde toen ik vroeg wie er nog meer een foto van zichzelf had. Alle ogen keken neer. Niemand. Niemand bleek een beeld van zichzelf te hebben.

Weken later, had zo'n beetje iedereen de foto gezien. Er zijn verlanglijstjes.