Een verlanglijstje
Alles lijkt zo normaal

Bedankt voor het praten

Een drukte op de gang, op het slecht verlichte halletje komen vier mintgroene deuren uit. Achter twee van hen wonen mensen, achter de andere twee werken mensen. De drukte is ongewoon, onze buurmannen redden zich best redelijk. Zeker 'onze dove buurman'. Hij klust wat bij een meubelmaker, bezoekt ziekenhuizen en doet boodschapjes. Bijna dagelijks piept hij even om de hoek, vooral bij mijn collega. In zijn kleine ronde hoofd schitteren ondeugende ogen, hij is klein, gedrongen en stijf. Hij draait niet meer met zijn hoofd maar met zijn hele lijf. Dat doet hij vaak in een poging nog iets met zijn goede oor op te vangen van wat je zegt. Zijn zinnen zijn kort, gewend aan zijn eigen doofheid vraagt hij eigenlijk nooit iets, hij zegt vooral iets. En dat in onvervalst Haags met de daarbij behorende Haagse humor en zelfspot. De drukte op de gang is vanwege hem. Hij is ziek, erg ziek. Alle medewerkers komen hem bezoeken en wringen zich in allerlei bochten op zoek naar oplossingen voor de zich plotseling verergerende situatie. Eén ding staat vast: hij blijft hier tot de laatste snik. "Ik ga mijn kamer niet uit" zei hij vastberaden. Zijn huid kleurde geel, zijn tred werd zwak en hij kwam zijn bed niet meer uit.

Mijn collega liep onlangs bij hem binnen en vroeg of ze nog iets voor hem kon doen. Ze dacht zelf aan het bellen van een 'verloren familielid' of iets dergelijks. Zijn ogen fleurde op; "jazeker kan je wat voor me doen, ik heb trek in een ijsje". Een ijsje als laatste wens. Koud en warm tegelijk. Zelf trof ik hem, een dag voor zijn overlijden aan. Liggend in een diepe slaap, een ingevallen gezicht, de neus spits en een onrustige ademhaling.

De dood, die vele gedaanten kent, werd ongeduldig en nam bezit van zijn lichaam. De volgende dag overleed hij. Op zijn kamer. Medewerkers waren bedroefd, moe, aangeslagen en steunden elkaar. Hij woonde er al tientallen jaren, deelde altijd snoep en fruit uit aan de medewerkers en maakte zijn praatjes. En hoewel zijn geheugen soms wat haperde, kende hij je voorkeuren, voor mij was het 'echte slagersleverworst'. Die kwam hij dan brengen vergezeld van een verhaal over een bezoek aan een dokter die hem weer voor 'jaren had goedgekeurd'. Voor mijn collega bracht hij snoep, koek of een appeltje inclusief schilmesje. Zij heeft er zelfs een trommeltje voor aangeschaft; de laatste weken raakte het leeg. "Bedankt voor het praten" riep hij vaak wanneer je eigenlijk geen tijd voor hem had en het gesprek kort hield. Daar stond je dan.

Een half jaar terug liet ik mijn vrouw en mijn jongste dochter mijn werkplek zien. We kwamen de buurman tegen. Hij keek naar mijn vrouw, naar mij en vervolgens naar de kleine meid; ze was vier. "He kleine. Ik heb voor jou wat lekkers" zei hij en gaf haar een Marsreep. Ze nam het aan en at het in de auto op. De eerste Marsreep in haar leven. Nog herinnert ze die 'oude opa die haar iets lekkers had gegeven op jouw werk'. Ik vertel haar niet dat hij is overleden. Zoveel macht wil ik de dood niet geven.

"Bedankt voor het praten", we zullen je missen.

 

Reacties