Vergaderen op locatie: de bouwkeet
Een verlanglijstje

Ode aan de geit

Het – achter twee aaneengeschakelde herenhuizen liggende – voormalig klooster herbergt vijftig bewoners. Zij wonen daar beschermd; letterlijk en figuurlijk. Onzichtbaar voor de buitenwereld pal tegenover de Koninklijke Stallen en dus ook dichtbij onze Vorstin, althans op werkdagen. Zij lijken wel wat op elkaar, de Vorstin en de bewoners van het voormalig klooster. Het zijn buren met begrip voor elkaars situatie. Nu heeft de Vorstin paarden, dichtbij haar werkpaleis. De kloosterbewoners niet. Zij hebben twee geiten en een volière met vogels. Maar de vreugde is er niet minder om. Aan één kant van het gebouw, dat het verweerde cement uit haar voegen aan het persen is, is een voormalige kloostertuin gelegen. Genoeg ruimte. Daar waar knoestige nonnenhanden vroeger de moestuin bewerkten staan nu bankjes, groeien struiken en is er een stukje afgezet voor de geiten. De afgelopen jaren kon men de twee geitjes zien groeien, niet in de hoogte maar in de breedte. Her en der werd wat extra's toegestopt door de bewoners. De geiten, niet snel meer onder de indruk, aten het genadig. Op een dag stond één geit in een positie die wees op een ongemak. Mank. De ingeroepen dierenarts constateerde artrose en obesitas. Het leven als stadsgeit in de beschermde woonomgeving had zijn tol geëist. Met een heus bijvoederverbod en pijnbestrijding werd het leven vergemakkelijkt, tot voor kort de mededeling kwam dat het niet meer zo langer kon. De pijn werd te hevig en de dierenarts adviseerde dat 'inslapen' het beste zou zijn voor het beestje.

Niemand twijfelde aan zijn oordeel, een brief werd opgehangen en het nieuws werd verteld. In de ochtend van het afscheid stond een groepje mannen rondom het hek. Mannen met een geschiedenis die haaks staat op die van de nonnen wiens kamers zij hadden betrokken. Hoewel sommigen van hen ook in stilte leven maar dan niet vanuit overtuiging. Nee, het zijn geen praters, op enkele spraakzame grappenmakers na."Hé directeur, er komt toch wel een nieuwe geit hè?". "Je ruimt toch zeker niet gelijk de boel op? Pas op hoor anders kom ik in opstand". Gelach vulde de stilte. Stoere taal van mannen die met bruine vingers van het roken, en met een leven doortrokken stem, tegen het hek leunden en zich – kijkend naar het geitje – groot hielden. "Er komt nieuwe have!" Riep ik en vluchtte in de schaduw van de enorme bomen die met hun takken in de hemel wortelden.

Helaas hebben we geen ruimte voor een paard. Jammer, het is bijna zeker dat wijlen Prins Bernard, wiens foto niet zou misstaan in één van de eetzalen, schalks zou lachen en zijn dochter zou aanmoedigen edelmoedig een paard te detacheren Het nobele dier zal zijn makkers bij goed weer aan de overkant horen briesen. Het zal niet zover komen, een maatje voor de overgebleven geit is goed genoeg. Daar doen we het mee. Ook voor een geit geldt immers dat alleen maar alleen is.

Reacties