School

Zijn ze gek geworden?

Het was een Winterse namiddag in 1971, toen ik, elf jaar oud, op pad was met mijn lagere schoolklas en de jonge leraar, meester Kees. Hij had, in zijn jeugdig enthousiasme de schooldirecteur van deze school met de Bijbel, overgehaald eens iets spannends te doen. Misschien was het feit dat de school een jaar later haar deuren moest sluiten vanwege de komst van een ‘nieuwe wijk’ verderop in de stad wel van invloed op zijn  behoudende geest. Hij stemde in, de bus werd besteld.

We vertrokken naar Scheveningen. Dat was sowieso een avontuur. Mijn reis naar de kust was steevast die met bus 23, naar Kijkduin. Scheveningen was’ de andere kant op’ zoals mijn vader zei. ‘En die kant gaan we niet op.’ Heldere taal van een man voor wie eenvoud een levenskunst was. De bus stopte voor een theater. Nog nooit had ik een museum, theater of schouwburg van binnen gezien. Mijn culturele ontwikkeling was begonnen en blijven hangen in Euro Cinema en een enkele keer naar Du Midi (maar dat was de andere kant op dus niet vanzelfsprekend).

In het donker giechelden de meisjes en zwegen de jongens op zoek naar een plekje op de stijle tribune. Jongens naast de jongens, meisjes naast de meisjes en meester Kees er tussenin. Op de vloer voor ons lag zand, hoewel ik dat niet meer zeker weet. De lichten doofden. De Storm van William Shakespeare stond op het programma, een try-out. Van deze magische vertelling begreep ik niets. Verwarring en verbijstering vochten om voorrang. De blik in de ogen van mijn klasgenootjes brachten geen rust. Ben Hur in Euro Cinema leek ver weg. Na de voorstelling kregen we een glaasje fris en mochten we pelpinda’s eten die op de bar lagen. De schillen ‘moest’ je op de grond gooien. Dat voelde als een daad van verzet, met enige spanning deed ik meester Kees na. Bij mij thuis werd stof en vuil immers met vuur en zwaard bestreden. Gelukkig was er een sluitende verklaring ‘de schillen absorberen het vuil en dat vegen ze met schil en al aan het eind van de avond op’ aldus de jonge meester. Vol overtuiging gooide ik de schillen op de grond. Warm van de kou reden we terug naar huis. Mijn hoofd drukte ik tegen de bewasemde ruit. De stad gleed van mijn af. Eenmaal thuis hoorde mijn moeder mij vol ongeloof aan. Het meeste onder de indruk van het pinda verhaal.‘Zijn ze gek geworden?’

Inmiddels, 45 jaar later, laat ik mijn kinderen regelmatig ons mooie stad zien. Scheveningen is daar een vanzelfsprekend onderdeel van. Onlangs nog liep met een van mijn dochters van de tramhalte naar de haven. ‘Kijk, daar is het Appeltheater. Daar heb ik goede herinneringen aan. Hier begon mijn culturele leven en mijn functionele kennis van pelpinda’s, knipoogde ik er achteraan.’ Zij, als professionele danser opgeleid in Den Haag en gewend te werken met onzekere subsidies, stuurde vorige week een berichtje. ‘Pap heb je het gelezen van het Appeltheater?’ Dat had ik, dat had ik.


Een doods stilleven

Een broodmagere man lag, onder gesteven witte lakens, voor me op bed. Zijn ingevallen tandeloze mond hapte naar adem terwijl zijn armen stuurloos probeerde me beet te pakken. Zeventien jaar was ik en waste de eerste man in mijn leven. Daarbij werd ik geholpen door ‘zuster Blijleven.’ Hoe ironisch dat ook klinkt, de ironie had de deur - van deze struise zuster op leeftijd - niet geopend, zelfs niet gepasseerd. “Kom jong” sprak ze me toe met een Gronings accent, “ik laat wel even zien hoe je iemand moet wassen.” Onhandig stond ik daar in een wit broekpak te hannesen met een doodzieke man.

Toen hij naar mij toe was gedraaid en ik hem in positie hield door zijn gebogen been bij de knokige knie vast te houden, hoorde ik een langzame kreun uit zijn keel vertrekken. Zijn ogen draaide naar boven, de adem stopte. “Uuh, zuster, volgens mij is hij uuh…dood.” Resoluut stak ze haar harde handen uit het blauwe schort met gekruiste witte banden en trok de man op zijn rug. Zijn laatste zucht lucht vulde de kamer. “Tja jong daar heb je gelijk in, nou kom we wassen direct verder dan weet je ook hoe je moet afleggen.” Automatisch voerde ik de handelingen op haar aanwijzingen uit. Later die dag liep ik ‘kamer 10’ in.

Na een paar weken begreep ik waarom de zusters en een enkele broeder fluisterden als ze het over ‘kamertje 10’ hadden. Daar stierven mensen. “U moet naar kamertje 10”, was een aankondiging van het einde. Nog tien dagen, dacht ik wel eens wanneer we daar een bemenst bed naar toe reden, en dan stopt de tijd.

De uitgeteerde man van middelbare leeftijd lag gekleed in een bruin kostuum met een spitse neus en letterlijk met ‘een mond vol tanden’ onder een strak wit laken. Onder zijn kaak lag een witte opgerolde handdoek. Zijn haren in een scheiding en handen gevouwen boven het laken. Halverwege lag een deken teruggeslagen. Het einde met een keurige vouw ingestopt. Een doods stilleven. Om zijn pols tikte een horloge. De seconden werden weggeduwd door een twijfelende goudkleurige wijzer. Ik raakte even zijn handen aan, voelde de kou en liet hem achter in de kamer. Mijn blik gleed over zijn foto van vroegere jaren die in een zilverkleurig lijstje naast hem op een oud en vervallen nachtkastje stond.
Ik deed het licht uit en nam de herinnering mee.

Tot de dag van vandaag.