Politiek

Tijd voor bezinning?

Er is een rapport van de commissie Dannenberg (van Beschermd Wonen naar Beschermd thuis) dat in opdracht van de VNG is geschreven. Het rapport is een aansprekend vergezicht en wordt alom omarmd. Het gaat uit van het principe dat de zorg naar de mensen thuis moet komen (vanuit de vraag) en niet aanbodgericht in een Beschermde woonvorm of Maatschappelijke Opvang moet worden georganiseerd. Dat past in de vermaatschappelijking van de zorg. Vanwege de kwetsbaarheid van de mensen over wie het gaat en de complexe uitvoering wordt er een periode van 15 jaar uitgetrokken voor deze transitie. Centraal staat de eigen kracht van de burgers en het beroep op het zelforganiserend vermogen en sociale netwerken. Uiteindelijk zal dat leiden tot minder intramurale voorzieningen omdat mensen in een waaier van woonvarianten wonen en flexibel ondersteund worden. Als het echt niet anders kan is er Wet langdurige zorg als een ultimum remedium. 

Aansprekend met een enkele mits en maar. Om ‘je zelf te organiseren’ moet je over vaardigheden beschikken. Die zijn niet bij iedereen ontwikkeld of inzetbaar door bijvoorbeeld ziekte of een alles overheersende stress door de situatie waar men in terecht gekomen is. Het terugvinden van de autonomie, het gevoel weer mee te mogen en kunnen doen in de samenleving en perspectief zien is voor veel mensen zeker haalbaar. Maar het kost tijd en de omgeving moet er op worden afgestemd. 

Er staat ook een opmerking in die vandaag de dag heel actueel lijkt. “De keerzijde van de vermaatschappelijking – zoals bekend van de geestelijke gezondheidszorg in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw - kan immers bestaan uit zelfverwaarlozing, eenzaamheid, geldgebrek om mee te doen, stigmatisering en verwardheid op straat.”

Er is nog een rapport. Het feitenrapport van de Haagse Rekenkamer over hoe de systemen functioneren voor de opvang en begeleiding van mensen die dakloos zijn. Het geeft inzicht hoe een en ander is geregeld in Den Haag (en in Amsterdam waar ook zo’n rapport is verschenen). Rotterdam en Utrecht volgen. Het zal daar vast niet anders zijn. De uitkomsten staan haaks op de gedachte dat er voor iedereen een plek in de wijk is. Betaalbare woonruimte, regie, ondersteuning bij problemen met administratie, gezondheid en dagbesteding en een steunend netwerk voor als het ‘even niet meer gaat’ is makkelijker opgeschreven dan uitgevoerd, zo blijkt. 

En nu is er ook een derde rapport. Om het beeld zo compleet mogelijk te maken hebben we, samen met het Leger des Heils, een onderzoek laten doen onder de mensen die zijn aangewezen op de opvang. We waren nieuwsgierig over wie zoveel geschreven wordt. Wie zijn de mensen in de noodopvang? Wat ze mankeren ze, hoe voelen ze zich en waar hebben ze behoefte aan? Het rapport wordt maandag 12 februari aan wethouder Karsten Klein aangeboden. Het onderzoek bevestigt, in samenhang met de uitkomsten van het Rekenkamer rapport, nadrukkelijk de noodzaak in actie te komen. Het is wat mij betreft ook tijd voor bezinning. Laten we nog eens goed stil staan bij wat nodig is om de vermaatschappelijking in onze sector door te voeren en geen voorzieningen sluiten voordat die waaier aan woonvormen en kwalitatieve ondersteuning er ook daadwerkelijk is. Als dat goed geregeld is en er is voor een kleine groep mensen voor wie begeleid thuis wonen niet mogelijk is een passend aanbod binnen de Wet langdurige zorg, zal het op den duur rustiger worden op straat en kan de overloopvoorziening aan de Zilverstraat als eerste dicht. 

Tot die tijd zetten we extra bedden bij omdat we in Den Haag nu eenmaal niemand op straat willen laten slapen. Een ultimum remedium. 


Zijn ze gek geworden?

Het was een Winterse namiddag in 1971, toen ik, elf jaar oud, op pad was met mijn lagere schoolklas en de jonge leraar, meester Kees. Hij had, in zijn jeugdig enthousiasme de schooldirecteur van deze school met de Bijbel, overgehaald eens iets spannends te doen. Misschien was het feit dat de school een jaar later haar deuren moest sluiten vanwege de komst van een ‘nieuwe wijk’ verderop in de stad wel van invloed op zijn  behoudende geest. Hij stemde in, de bus werd besteld.

We vertrokken naar Scheveningen. Dat was sowieso een avontuur. Mijn reis naar de kust was steevast die met bus 23, naar Kijkduin. Scheveningen was’ de andere kant op’ zoals mijn vader zei. ‘En die kant gaan we niet op.’ Heldere taal van een man voor wie eenvoud een levenskunst was. De bus stopte voor een theater. Nog nooit had ik een museum, theater of schouwburg van binnen gezien. Mijn culturele ontwikkeling was begonnen en blijven hangen in Euro Cinema en een enkele keer naar Du Midi (maar dat was de andere kant op dus niet vanzelfsprekend).

In het donker giechelden de meisjes en zwegen de jongens op zoek naar een plekje op de stijle tribune. Jongens naast de jongens, meisjes naast de meisjes en meester Kees er tussenin. Op de vloer voor ons lag zand, hoewel ik dat niet meer zeker weet. De lichten doofden. De Storm van William Shakespeare stond op het programma, een try-out. Van deze magische vertelling begreep ik niets. Verwarring en verbijstering vochten om voorrang. De blik in de ogen van mijn klasgenootjes brachten geen rust. Ben Hur in Euro Cinema leek ver weg. Na de voorstelling kregen we een glaasje fris en mochten we pelpinda’s eten die op de bar lagen. De schillen ‘moest’ je op de grond gooien. Dat voelde als een daad van verzet, met enige spanning deed ik meester Kees na. Bij mij thuis werd stof en vuil immers met vuur en zwaard bestreden. Gelukkig was er een sluitende verklaring ‘de schillen absorberen het vuil en dat vegen ze met schil en al aan het eind van de avond op’ aldus de jonge meester. Vol overtuiging gooide ik de schillen op de grond. Warm van de kou reden we terug naar huis. Mijn hoofd drukte ik tegen de bewasemde ruit. De stad gleed van mijn af. Eenmaal thuis hoorde mijn moeder mij vol ongeloof aan. Het meeste onder de indruk van het pinda verhaal.‘Zijn ze gek geworden?’

Inmiddels, 45 jaar later, laat ik mijn kinderen regelmatig ons mooie stad zien. Scheveningen is daar een vanzelfsprekend onderdeel van. Onlangs nog liep met een van mijn dochters van de tramhalte naar de haven. ‘Kijk, daar is het Appeltheater. Daar heb ik goede herinneringen aan. Hier begon mijn culturele leven en mijn functionele kennis van pelpinda’s, knipoogde ik er achteraan.’ Zij, als professionele danser opgeleid in Den Haag en gewend te werken met onzekere subsidies, stuurde vorige week een berichtje. ‘Pap heb je het gelezen van het Appeltheater?’ Dat had ik, dat had ik.


Het is maar hoe je ernaar kijkt

Honderd jaar is niet niks en tegelijkertijd stelt het eigenlijk niet zo veel voor. Het is maar hoe je ernaar kijkt. Neem je jezelf als ijkpunt (de menselijke maat), dan is een eeuw vermoedelijk langer dan de meesten van ons zullen leven (uitzonderingen daargelaten!) en dus een hele periode. Zodra je een eeuw afzet tegen de leeftijd van de aarde zoals wetenschappers die zien, dan stelt het niet zo veel voor. Het wordt al weer anders als je de leeftijd van de aarde beziet vanuit een theologisch standpunt .

De manier waarop we kijken bepaalt wat we zien. Dat geldt ook voor het maatschappelijke vraagstuk waar de Kessler Stichting zich al honderd jaar mee bezig houdt. Zijn er daklozen die buiten hun schuld uit de rails zijn gelopen? En moeten we die met behulp van al wat er is in onze ontwikkelde samenleving helpen door ze op te vangen en te verzorgen? Of zijn er daklozen omdat we ze te weinig prikkelen om goed voor zichzelf te zorgen, en moeten we hen min of meer aan hun lot overlaten, zodat zij zelf overgaan tot actie? Is de samenleving te veel gericht op presteren en meedoen waardoor er een groep mensen is die dit niet meer volhoudt? Of besteden we te weinig aandacht aan die achterblijvers en moeten we ze blijven stimuleren? En als we dan stimuleren, doen we dat met belonen of sanctioneren? Dat zijn vragen van de huidige tijd.

Wat je ziet, wordt bepaald door hoe je kijkt. Dat geldt ook voor ‘de maatschappij’ als geheel. In de beginjaren werden zwervers of landlopers tamelijk imperatief benaderd. Ontsmetten, verplicht douchen en werken voor de kost. Nu, honderd jaar later, praten we over ‘sociaal kwetsbaren’, maken we een persoonlijk plan, zijn zwervers cliënten en benaderen we hem vanuit een methodiek waar respect, acceptatie en eigen kracht belangrijke uitgangspunten zijn. Minder verplichtingen en meer verleiden naar andere perspectieven; een mix van verschillende visies.

Honderd jaar Kessler Stichting in Den Haag. Het is een boeiende periode waarin aan de problemen van mensen die niet zo goed mee kunnen komen, niet zo veel veranderd is. Wel aan de manier waarop we tegen hen aan kijken.

Dat is mooi, net als ieders leven zou kunnen zijn.

(column uit jubileumkrant)



 


Het krullenmeisje

In de auto knalt de enthousiaste stem van de kersverse premier uit de speakers. Zijn oneliner: 'De overheid is geen geluksfabriek', blijft hangen terwijl ik in de lift stap op weg naar de etage waar gezinnen worden opgevangen. Het is druk, er wordt gewerkt aan het vervangen van het versleten linoleum. Voor me staat een grote vrouw, op haar hoofd een gebreid mutsje en aan het oor een telefoon. Onder haar zwarte legging steken de voeten in slippers. Een krullenmeisje klampt zich vast aan haar benen. De vrouw telefoneert luidruchtig; het meisje meeslepend door de gang. Het licht prikt door de met glasverf versierde ramen. Vrolijke figuurtjes benemen het uitzicht op de parkeerplaats van de aanliggende seniorenflat.

De vrouw laat me zwijgend binnen om te kijken. Het lukt me niet goed om naar de vloer te kijken. Haar - inmiddels huilende - dochter en haar doffe blik leiden me af. Snel kijk ik rond, zie het met kleding en plastic tassen overladen bed, ga naar buiten en bedank haar. Afwezig pakte ze het gesprek aan de telefoon weer op. Het krullenmeisje kijkt me aan en met haar donkere behuilde ogen vangt ze mijn blik. Ik wil haar troosten maar loop weg, een zucht verlaat me en resoneert nog lang na. Een door de muur verwrongen babygehuil klinkt zachtjes op de achtergrond als ik de gang afloop. Twaalf volwassen, 16 kinderen en geen huis.

Sommige mensen nemen meer leed in zich op dan anderen. Het is net of de ellende niet wordt afgeweerd maar zonder barrière doordringt in het alledaagse. Een kind, een bron van geluk en verlichting, maakt de noodzaak tot een ritje in de "trein van geluk"groter. Nu eens kijken waar ik een een kaartje kan vinden voor het krullenmeisje. Het loket van de geluksfabriek is immers dicht.


Inzicht geeft uitzicht

Landgoed Te Werve

Maandag was ik op het Landgoed Te Werve in Rijswijk. Voor de buitenstaanders: een prachtige plek met water, bosschages, oude bomen, een duiventoren, grind en - een enigszins aangetast door de tijd - een wit hoofdgebouw. Ik was daar niet alleen. Met zo'n 35 mensen van (de gastheer) woningcorporatie Staedion en tal van maatschappelijke samenwerkingspartners. Staedion wilde antwoorden op de vraag: hoe houden we de voorzieningen op peil in de (kwetsbare) wijken terwijl er bezuinigd gaat worden? Deze corporatie wil inzicht, inzicht in de samenleving waar zij een belangrijke functie vervult. Ze verhuren en bouwen er namelijk woningen. En inzicht geeft uitzicht (Joop den Uil). Om die reden zeker een goed initiatief en ook serieus zoals de bestuurder van Staedion ons dan ook vriendelijk maar serieus voorhield tijdens zijn welkom.

Den Haag is verwend met mensen die uit met onvervalste puurheid een boodschap kunnen overbrengen. Hoe de inhoud van de boodschap ook is, de vorm speelt er altijd een belangrijke rol in. Naast Erica Terpstra hebben we namelijk ook onze 'eigen' ex-wethouder en ex-staatssecretaris Jetta Klijnsma. Beide iconen zitten wat ruim in de tijd momenteel (hoewel Erica geloof dagelijks wordt geridderd) maar Jetta was gevraagd en bereid de aftrap te verrichten. En aftrappen kan dan deze 'kanjer', met elan en een eigen geschreven speech zette ze de toon.

"Waar zijn toch die bekende buurtbewoners gebleven die in het stadhuis luidkeels hun zaak kwamen verdedigen? En spreken we mensen wel aan op hun eigen kracht en organiseren we niet te veel voor ze? Wat doen jullie als 'stutten' in de maatschappij, hoe pakken jullie de uitdaging op? Gaan we decentraal werken en houden we daarbij ook centraal alles (formatief) vast of snijden we daar ook in de kosten?" Ook ging de hand in eigen boezem. "De overheid kan er ook wat van als het gaat om geld uitgeven", sprak zij met een licht ironische toon. "En ook de gemeente Den Haag kan zich nog wel eens afvragen of het allemaal niet wat kleiner kan."

En daar gingen we, trap af, richting de eetzaal waar we in tafels waren ingedeeld. Onze tafel had zich – met enige overmoed – gewaardeerd als tafel één. We moesten aan de slag. Tja daar zaten we dan; vijf mannen (organisaties) die elkaar wel herkennen maar eigenlijk niet kennen. Een belangrijke conclusie volgens ons. We tafelen, vergaderen, mailen en lezen elkaars jaarverslagen maar gaan vaak op in de deels door ons zelf georganiseerde drukte. De burgers van Den Haag kennen ons wel en gaan er vaak van uit dat wij elkaar ook kennen. Dat het logisch is dat wanneer een buurtconciërge een huurder in problemen tegenkomt even kan bellen met een collega van Welzijn, van de Kessler Stichting, het stadsdeelkantoor, de schuldhulp, de wijkagent of met iemand van een andere instelling waar de huurder hulp en begeleiding van krijgt. Helaas het is anders. We zijn vreemden geworden terwijl we schouder aan schouder dezelfde voordeur proberen in te gaan om de allerzwaksten met goede bedoelingen te helpen maar we jagen ze soms de stuipen op het lijf en bereiken in veel gevallen het tegenovergestelde van wat we willen.

Tafel één kwam tot deze aanbevelingen: Geen vervreemding maar contact, geen concurrentie maar samenwerking. "Geen gelul maar poetsen" om maar eens een collega te citeren. "Beter af en toe achteraf om vergiffenis vragen dan vooraf om toestemming" is ook een citaat dat mij te binnen schoot. We doelden natuurlijk op ondernemerschap maar in het huidige Rooms Katholieke klimaat viel dit citaat, toen ik het plenair ter berde bracht, plots in een heel ander kader. Hetgeen mij verbaal enigszins deed wankelen. Gelukkig kon ik mij beroepen op mijn hernia en vond houvast op de stoel die voorzichtigheidshalve had mee geschoven.

Alle zes de tafels proclameerden hun oplossingen. De bestuurder van Staedion werd bedankt en bedankte ons en zette Jetta in de bloemen. Zij verraste ons gelukkig nog met een hartversterkende opmerking "er moet gesneden worden in de kosten maar aan de jongeren onder jullie: het waait weer over hoor en dan schijnen er weer duizenden sterren aan de hemel.". De enige jongeren die ik zag waren de jongens en meisjes van de bediening maar die waren professioneel doof en deden onverstoorbaar hun werk. Wij vermoedelijk vandaag en morgen ook weer. Of mannen van tafel één..zullen we echt iets praktisch doen? En de woorden die in de Rijswijkse hemel hangen inademen en uitvoeren? Of zijn wij ook professioneel doof?

 

 

 


Belangeloos is niet onbelangrijk

De prille voorjaarszon prikt via het spiegelende water door het raam van het visrestaurant. Tussen de bleke mensenhoofden van het terras, het zicht op de klapperende touwen aan de masten. Wit/grijze meeuwen dansen - ogenschijnlijk ongeïnteresseerd - in de wind, klaar om toe te slaan. In de stilte van het restaurant is de crisis voelbaar. De borden staan dampend op tafel. Mijn tafelgenoot begint met een zekere hand "het vissie" te fileren. "Hoe is het met je Bram"? Het antwoord rolde als klaterend water over mijn lippen, op tafel en verdampte. Zijn verhaal volgde. We kennen elkaar nauwelijks op een paar cruciale momenten na. Dat was de kennismaking en het afscheid bij een vorige werkgever. Mannen van in de vijftig, elkaar weer gevonden via de moderne media, besloten samen "een vissie" te gaan eten. Een ronde man met een bonkig voorkomen in een opvallende gekleurde trui. Rechtuit communicerend en kennis van cijfers, reeksen en grafieken. "Ik zit ergens mee en wil het van me af hebben", we kwamen to the point en bestelden een glas witte wijn. Mannen van de wereld. Hij keek getergd en boos toen hij uitlegde waar hij mee zat, zijn vriendelijke kraaienpootjes acteerden mee. "Ik stem rechts maar ik denk links", vervolgde hij. "ik erger me rot aan de overheid die, wanneer het over de AWBZ gaat, alleen maar aan de kosten denkt en niet aan de baten". Een gevoelsbegroting. "Zij lijken wel onbewust onbekwaam, jarenlange wijzigingen, kortingen, registraties, efficiëntieslagen, pakketmaatregelen en ga zo maar door, het moet stoppen". Een slok, een onnodige aanmoedigingsknik. "Het helpt geen zier, denk ik, we zijn te laat maar toch moet ik het kwijt en wil er over publiceren". Ik haakte gretig in en bood hulp bij het uitwerken van zijn boodschap.

Een blik naar buiten. Daar boog een bewoner van één van onze beschermde woonvormen, zich over zijn bord. Voor hem een glas wijn en naast hem een vrouw. Het is een mooi toeval hem hier te zien, in de haven, weg uit het beschermende klooster. Hij is een uitzondering, er is iemand die zich om hem bekommert. "Weet je, ik heb even geen werk maar ik vermaak me prima. Ik doe onderzoek voor de publicatie, spreek mensen en verdien er geen cent mee. Het is belangeloos maar niet onbelangrijk", vervolgde mijn vroegere collega na een toiletbezoek en dronk, als een aangemeerde visser, zijn dubbele espresso zonder aarzeling in twee slokken op. Op de terugweg maakte we afspraken. Bij het uitstappen een hartelijke hand. In de gangen van het voormalige klooster voelde de stilte al lang niet meer als crisis. Eenzaamheid hoopt zich op tegen de muren. Flarden van verwerking. Voor hoop is het nooit te laat. Als makkers binden we de strijd aan. Wat een mooie dag!