De strekkende meter

Het zwarte plastic vangt het licht van de straatverlichting op en bolt op tussen de ijzeren hekken. Ze vormen zo een zwarte muur van licht deinend plastic. Ze ontnemen het zicht op het lege voormalige stadsdeelkantoor. Ik loop er langs. Na vijftig meter buig ik links om achter de hekken en loop op een geasfalteerd paadje weer dezelfde meters terug. De muur nu weer links van me. Terwijl de ijskoude wind mij geselt zie ik een man, stevig postuur, met een ‘oortje’ in. Een beveiliger. Achter de ramen bewegen schimmen door de vitrage heen; er brandt licht. Door de deuren zie ik een detectiepoortje staan in een lege, koel verlichte, ruimte. Het is de tijdelijke Winteropvang voor daklozen, die, ondanks het protest uit de buurt, hier in allerijl geïmproviseerd is.  Er kunnen vijftig mensen slapen, althans wat de brandweer betreft.

De tien mannen voor de deur zijn te vroeg. Nog even wachten dan mogen ze de warme deken van de opgewarmde lucht in het stadsdeelkantoor in lopen. Op weg naar soep, brood en een warm bed.  “Goed dat dit er is maar jammer dat we er nu pas in mogen” vertelt een man met geschrokken ogen en een getatoeëerde ooievaar in zijn hals. “En ik weet hoe het zit want ik ben ook hulpverlener geweest” vervolgt hij. Terwijl hij en een andere jongen met mij aan de praat raken over hun pogingen te overleven, zie ik steeds meer zwijgende mannen, de handen in de zak, toestromen.

Hun zwijgen spreekt boekdelen. Binnen maak ik een praatje en kijk naar de opgemaakte stapelbedden die er staan. Met een hartelijke zwaai neem ik afscheid. Buiten tel  ik mijn stappen. Vijftig meter hek, een meter per dakloze. (On)zichtbaar voor wie het wil.  

 


Zoiets moois

Twee vrouwen, tegen de vijftig, stonden voorovergebogen naast een kleine grijze oude dame die naar een foto wees. De foto stond te wachten in zijn lijstje om opgehangen te worden in de kantine. "Kijk daar is papa" zei ze en wees een man aan die aan een lange gedekte tafel zat. "Het was het Kerstdiner in 1962." Twee dochters en hun moeder bezochten me nadat een van hen me had gemaild geboren te zijn bij de Kessler. Een uitnodiging volgde. "Mijn man en ik woonden in de directeurswoning in het gebouw, hij was adjunct-directeur van het verhuisbedrijf." Ik bood koffie aan en leidde hen rond in het gebouw. Bij een foto van een slaapzaaltje met kinderbedjes stopte een van de dochters. Ze pakte een foto uit haar tas en zei "kijk dit zijn wij, we spelen hier met dezelfde pop. Op zolder speelden we ook vaak." vervolgde ze enthousiast. Hun herinneringen kwamen weer boven: de ruimtes, de tijd, de mannen en vrouwen die er destijds woonden. Weer beneden aangekomen praatten we nog wat na."Toen mijn dochter geboren werd", ze wees naar een van de vrouwen, "kwam mijn man naar me toe. Hij vroeg of ik het goed was of een van de bewoners de baby kon bekijken." Met vlammende ogen keek de tachtigjarige vrouw me aan. "Natuurlijk mocht dat. De man kwam en vroeg of hij haar mocht vasthouden. Hij had nog nooit een kindje vastgehouden in zijn leven.Toen hij haar vast hield, heeft hij haar een half uur lang vastgehouden en zwijgend naar haar gekeken. Zoiets moois had hij nog nooit meegemaakt." De vrouw draaide weg. "Het emotioneert me, vijftig jaar later nog." Ze pakte een zakdoek en droogde haar tranen. "Zoiets moois had hij nog nooit meegemaakt" herhaalde ze.

De Blues

In een flits zag ik zijn profiel voor het raam van zijn kamer en besloot terug te lopen. Met mijn hoofd om het hoekje piepte ik naar binnen. “ Mag ik uw kamer even bekijken?” Een magere man stapte de kamer uit en zei “Ja hoor.” We voerden op de drempel een gesprek of een praatje (dat weet ik nooit zo goed). “Bent u tevreden over uw kamer?” vroeg ik terwijl ik  de kleine kloosterkamer in me opnam.

Op het groene bobbelige zeil stonden enkele jaren’70 meubels in een keurige opstelling. Bed strak opgemaakt en een kastje met snuisterijen. Aan de muur een gitaar, vol in het licht. Als een heiligbeeld trok het de aandacht in de donkere kamer. Alles op orde.

 “Ja hoor, mijn wastafel is ook weer gemaakt, ik ben tevreden.” Zijn ogen hadden de mijne nog niet gekruist, zijn lichaam bewoog heen en weer. De onrust nam de orde over. “En die gitaar, die daar hangt, speelt u daarop?” “Dat is mijn hobby, ik speel er graag op maar treed niet meer op. Vroeger wel, toen was ik straatmuzikant. Een muzikant met behoud van uitkering.” Een glimlach trok zijn vlakke gezicht in een plooi. “Dat moet kunnen hoor, muziek maken met behoud van uitkering.” Hij vervolgde: “De Stones speel ik graag, vooral hun vroege blues nummers.” “Was u al jong muzikant?”, probeerde ik om de aandacht vast te houden. “Ik heb allerhande ongeschoold werk gedaan, ook in een supermarkt. Daar werd ik chagrijnig en besloot te gaan leven van muziek met een groepje vrienden. We stopten, ieder ging zijn eigen weg. Nu zit ik hier, het is goed. “ 

De onrust werd hem te machtig, hij sloot zijn kamer af en groette mij met de ogen naar de grond.  Can you hear the music?  (Stones, 1972). 

 Column in Haags Straatnieuws #13


Het kind is de vader van de man

Er zijn jonge mensen die niet kunnen meedoen. Ze wonen klein, hebben opvoeders die niet hebben geleerd op te voeden, kennen een leven vol ruzie en onbegrip en stoppen met school. Ze zoeken en vinden een nieuwe identiteit. Onzekerheid kent vele gedaanten en de straat biedt houvast. Weg van de volwassenen met hun administratie, loketten, begeleiders, zorgpakketten, training, instroomcriteria en diagnosen. Leven tussen je maatjes met dezelfde straattaal, kleding en ongeïnteresseerde houding, een biertje, een jointje. Dan ben je tenminste iemand.

Boos, verdrietig, verward, ontredderd door schulden en losgeraakt van familie en vrienden. Stoer, kwetsbaar en soms vervelend. Het levert een ingewikkelde relatie op met hoogte- en dieptepunten. Zo hoorde ik van een jongen van 19, ernstig ziek die zijn medicatie weigerde en lid was van een bende. Zijn vriendinnetje zat in de nachtopvang. Hij raakte niet los van de aantrekkingskracht van buiten. Voor hen geen alternatieven. Ze zijn op weg naar een donker einde.

En die keer dat ik  sprak over die Marokkaanse jongen toen we ‘hoog bezoek’ hadden en de jongeren hadden gekookt. Marokkaans? Hij is 100% Nederlands lachte een medewerker me toe. Hij had zichzelf een zwaar accent aangeleerd en kwam oorspronkelijk uit het oosten van het land. Wat zouden de heren van VWS hebben meegenomen die avond over deze Hollandse jongen die uitstekend voldeed aan het beeld van de niet aangepaste derde generatie immigrant uit Noord Afrika? Misschien kwam hij wel uit Twello. Dat kan nu natuurlijk niet meer. De regiobinding zorgt er ook voor dat we nieuwe dijken bouwen in ons land. Dijken om onze eigen steden. Europa kan je door zonder paspoort. Als dakloze kan je je eigen stad niet meer uit.

De Marokkaans sprekende Gelderse zwerfjongere sterft in Den Haag langzaam uit.

 Column in Haags Straatnieuws #12


De Smulhut

Midden in een woonwijk is een gebouw neergezet. Winkels vinden er hun onderdak en delen met elkaar een overdekte ruimte en buiten een parkeerplaats waar wekelijks een kaasboer te vinden is in zijn witgrijze aanhangwagen. Een bloemenzaak, een drogist, een chinees (alleen afhaal) een 'van alles wat winkel', pizzeria en een supermarkt. Het is van een diepe treurigheid. Achter het gebouw staat nog een snackbar – 'De Smulhut"- pal naast het gezondheidscentrum, hetgeen het beeld alleen nog maar indringender maakt. Het - met een armetierig hegje - omheind parkeerterrein verbindt dit alles aan elkaar. Alles is verzonnen en gebouwd ergens eind jaren negentig. Je kan het zien aan de bomen; ze buigen nog in de wind. Honderden mensen persen zich dagelijks door de groene schuifdeuren om karren vol te stoppen, hun kinderen mee te sleuren langs verleidelijke schreeuwende aanbiedingen of om hun verzameling zelfmedicatie van dr. Vogel te verrijken met een nieuwe belofte van het eeuwige leven. Een enkeling koopt een Azalea of chrysanten.

Rechts achter de deuren staat een vrouw (soms zit op een krukje). Ze houdt straatkranten tegen haar borst en kijkt voor zich uit. Ze kijkt maar het is net of ze ons niet ziet; hetgeen overeenkomt met hoe de meeste mensen haar zien. De blikken gaan langs haar en zoeken een ander ijkpunt. Het is alsof ze plotseling in een vreemde omgeving is neergezet. Ze spreekt onze taal niet waardoor het geroezemoes haar niet tot een vredige rust brengt; in tegendeel. De markt waar pratende mannen en vrouwen tussen de geurende kraampjes lopen en onderhandelen over de prijs en kwaliteit, is hier vervangen door in plastic verpakte groenten, vlees, vruchten en duizenden andere producten in een foeilelijk gebouw met tl verlichting waar de communicatie voornamelijk bestaat uit het piepen van de streepjescodes. Alles is voorzien van een houdbaarheidsdatum en keurig gerangschikt op thema, prijs of temperatuur. Als een achteloos neergezet kunstwerk, staat ze te midden van winkelend publiek. Een Madonna met straatkranten op haar arm. Paarlen voor de zwijnen. Hoewel een enkeling een kopje koffie komt brengen.

Wanneer iemand uit de nevelen stapt en aangeeft een straatkrant te willen kopen, lacht ze zachtjes zoals een oma naar haar kleinkind, geeft de krant en houdt haar hand op. De mouw van het jasje valt terug en laat op haar bleke onderarm vervaalde tatoeages zien. Ze zijn in een kleur aangebracht, een kleur die zich ophoudt tussen grijsblauw en staalzwart. Ze omklemt het geld en stopt het weg in een van haar zakken. Ze pakt een nieuwe krant en neemt haar pose weer in. Dat gaat misschien 20 keer op een dag zo en als ze dat vijf dagen per week volhoudt zal ze er € 65,-- aan over houden. Ze zal haar verdiende geld niet uitgeven in De Smulhut denk ik of de blozende kaasboer uit Stolkwijk vragen om een plat stukje voor bij de buis.

Ze drinkt druppels van onze overvloedige bronnen; er is geen reden daarin te spugen.


Zilverlicht

Rusteloos loopt hij, met snelle tred, door de gangen, zijn hoofd licht gebogen. Zijn vette, sliertige haren, hangen dun over zijn hoofd. Heel af en toe veegt hij ze naar achteren. Met zijn ene hand, in de andere een shagje. Een magere man, die zijn broek opvallend hoog heeft opgetrokken en met een strakke riem om zijn taille heeft vastgezet. Contact heeft hij niet, zijn ogen kijken naar binnen. Daar is het druk. Zo druk dat hij af en toe even stopt om antwoord te geven op de vragen die zijn stemmen hem stellen. Vreemd dat hij zo bezig is en ik in stilte naar hem blijf kijken wanneer hij halverwege de trap plotseling stilstaat en staat te prevelen. Zijn hoofd schuin, zijn rechtervoet op de ene trede en zijn linker twijfelachtig op de trede er onder. Hij lijkt toestemming te vragen om door te mogen lopen. Na een minuut, zegt hij oké en loopt door. Hij passeert me rechts en is eerder boven dan ik.  ’s Middags tref ik hem bij het koffieapparaat. Terwijl hij drie zakjes suiker leegt in het bekertje en hardop aan het praten is, groet ik hem. “Hallo hoe is het met u?” Hij maakt zijn verhaal af, draait zijn hoofd om en zegt “prima hoor” en loopt al roerend in zijn bekertje weer in zichzelf pratend de gang op. Gewend dat zijn verhalen voor ons onhoorbaar zijn. 

Op weg naar huis maak ik nog even een praatje met een andere bewoner. “Ik heb veel broers en zussen en ook twee kinderen maar ik zie ze nooit meer, ook de  kleinkinderen niet. En dat is jammer hoor want mijn dochter heeft erg mooi haar, er straalt zilverlicht van af. Ik heb gelukkig wel een foto van toen ze klein was.” Zijn tong blijft rusteloos heen en weer bewegen in zijn mond. Zijn woorden zijn op. De mijne ook.

(column in Haags Straatnieuws juni 2011)


Een grote witte zonnebril

Ooit liep ik 's ochtends vroeg met de prille zon in de rug, op goedkope gympies als kleine jongen achter mijn vader. Het ronkende dieselgeluid van een optrekkende bus 23 achter ons latend, richting het strand van Kijkduin. "We gaan vroeg jongen, dan hebben we een mooie plek" aldus mijn vader die zomer en winter een bronsgekleurde huid had. Het pad naar boven. Rechts van ons de duinen waar achter prikkeldraad het groengele helmgras de lucht in spriette. Mijn vader stak af tegen de koelblauwe ochtendlucht, zonder omkijken erop vertrouwend dat ik zou volgen, gidste hij me naar boven. Het keienpad naar beneden dat overging in - onder het zand liggende - planken. Door het koele, vochtige zand naar de witte huisjes; toilethokjes. Strandtenten waren er nauwelijks. Voor de huisjes zat een oude, stevige dame met gitzwart haar en een donkerbruine huid, in een stoel. Ze groette mijn vader, die bij haar een strandstoel huurde en tegelijk met haar een sigaret opstak. Ik vroeg me altijd af of zij een zigeunerin was hoewel ik niet precies wist wat dat eigenlijk betekende. Het zout op mijn lippen, het zand in mij haren en de gloeiend hete stenen waarop ik mijn gympen weer probeerde aan te krijgen zodra de aarde zich van de zon had afgewend en de bus die op ons wachtte. Zomers lang herhaalde dit zich, totdat alles veranderde.

Tweede Paasdag, prachtig zomers weer, loop ik het zelfde pad, voor mij mijn jongste dochter en mijn vrouw, omkijkend of ik de klim wel zou redden. Het duinpad naar boven is rechts geflankeerd door een hotel. Het hotelterras ligt als een vlonder in de duinen. Terwijl we afbuigen zie ik links de winkels, terrassen en een draaimolen met eromheen plastic knalgele stoeltjes. Een in wit gekleed jong stel, zonnebril op het voorhoofd, kauwgum kauwend, zet hun twee kindjes in de draaimolen, hangen in zo'n stoeltje en kijken verveeld langs elkaar, de jongen wipt met zijn witte sneakers nerveus heen en weer. Het meisje pingt met haar nepnagels het laatste nieuws op een witchromen telefoon. We lopen naar beneden, tegen de richting in komt een man ons tegemoet. Zijn opvallende witte zonnebril op zijn donkere hoofd valt direct op. Hij zwalkt naar boven en ontwijkt tegenliggers ternauwernood.

Vanaf een terrasstoel, met dampende thee voor me, kijk ik naar de plek waar de witte huisjes ooit stonden terwijl achter mij de loungemuziek klinkt en de eerste twintigers een fles rosé bestellen. Kinderen spelen, ouders waken en jongeren flaneren. Uit de zee slaan de groenbruine golven stuk op het strand. De man met de grote witte zonnebril, gitzwart haar en een donkerbruine huid, is teruggekeerd en loopt tussen de stoelen en tafels. Hij laveert tussen de mensen en kinderen door als een dronkenman. Telkens een botsing vermijdend. Aan het eind van het houten terraspad keert hij en loopt terug. Zijn hoofd fier vooruit, de duin op naar boven, op slippers. Met in zijn hand een eenzaam flesje water.

Mijn dochtertje speelt in het zand, kijkt op en tuurt hem na totdat hij achter de duin is verdwenen. Onderwijl glipt het zachte zand door haar vingers.


Echt bier

Onrust op de gang. De gebogen wat stille man voor me, schuifelt zijn traject door de gangen en lijkt niet aangesloten bij het geroezemoes dat de lange grijze gang heeft bereikt. Zorgvuldig plaatst hij zijn voeten op het versleten mintgroene linoleum, handen stram naast zijn lichaam, het bewegen moe. Gestoken in een wijd bruin kostuum passeert hij, schier onbewogen, de gang naar de kapel. Warme kreten - gevat in de blauwgrijze rook van sigaretten – komen me tegemoet. Uit de schaduw van mijn voorganger loop ik op het geluid af. Een kapel vol met mannen staren naar de blinde muur. Op een groot scherm wordt een voetbalwedstrijd geprojecteerd. Het is zomer 2008 en in een voormalige kloosterkapel zitten tientallen mannen, stijf van het buitenleven, met een sigaret tussen de vingers geklemd, “onze jongens” aan te moedigen. De kapel, al lang niet meer het visitekaartje van onze lieve Heer, kreunt onder oranje slingers en steekt met haar goudkleurige bogen schril af tegen haar bezoekers. De aanvalskreten kaatsen tegen de wanden die – en daar ben ik zeker van – op deze momenten terugverlangen naar de stilteretraites van de nonnen. Zwijgen is immers goud en dat is iets waar “onze jongens” zo hun eigen variant op hebben bedacht. Op zulk soort momenten is het geoorloofd met elkaar te verkeren en de eigen sores even opzij te zetten. Doorgaans wordt er bij zulke gebeurtenissen rijkelijk bier gedronken. Dat is voor een aantal van de supporters in een ver verleden wel eens mis gegaan. Geen nood, we zijn een goede afnemer van een alcoholarm evenementenbiertje, dat onder begeleiding geen kwaad kan.

“Hé directeur, ook een biertje?” roept de grootste feestneus me toe. “Nee dank je, ik moet na nog nadenken vandaag” probeer ik nog, wetende dat ik me met dit soort antwoorden niet staande zou houden in deze oranje orgie. “Nou dat hebben we liever niet, dus neem er nou maar één of drink jij echt bier”?

(column in Haags Straatnieuws april 2011)


De Blinde Kat

Op weg naar de buitenschemer, loop ik, met stromende gedachten de trap af, de deur door naar de binnentuin. Een tuin met volièrevogels, geiten, bomen, struiken en een verdwaalde houten bank. Op het terras de met tegels verzwaarde voeten van parasols. Er tussenuit steken lege metalen buizen even fier als hulpeloos. Flarden van een gesprek waaien langs, als wind die de struiken doet bewegen. "Het is bepaald niet prettig wanneer de buitenwereld - waar ik meer contact mee wil hebben - mij steeds ziet als een dakloze. Ik ben in de kern niet dakloos, geen bewoner en ook geen kunstenaar, ik verblijf hier tijdelijk en dat valt me zwaar." Voor mij kronkelt het slordig met asfalt bedekte tuinpad, het voert me langs de ranken van het klooster en de omheinde weide waar de twee geoormerkte geiten me wezenloos aankijken. Ik mis de blinde kat. Hij schittert letterlijk door afwezigheid; weggelopen, doodgereden, meegenomen? Vaak kruisten we elkaars paden en keek hij schuin omhoog met zijn - door staar - gedoofde ogen. "Gek genoeg kan een blinde kat je nog indringender aankijken dan een ziende", riep ik op een goede dag tegen een van de bewoners die elke ochtend in de tuin staat, pet op, meekleurende brillenglazen op de neus en sigaret tussen de trage lippen. Een meewarige glimlach viel mij ten deel aangevuld met dito stilte waardoor mijn stelling niet alleen werd bevestigd maar ook nog wat langer kon rondzweven boven de geiten die in dat beeld gek genoeg prima pasten. "Na 10 jaar een kamer te hebben gedeeld met een medebewoner heeft een mevrouw gezorgd dat ik nu een eigen kamer heb, ik ben haar nog dankbaar. Maar goed dat is nu ook alweer zo'n 15 jaar geleden."

Ik sta even stil en bekijk de gevel van het klooster, een hoog gebouw, anoniem ingeklemd tussen herenhuizen. Boven de kapel duwt de opkomende wind de wolken tot houtskoolschetsen, die langzaam in elkaar vloeien en grijs afsteken tegen de donkere lucht. Ooit zagen nonnenogen dit ook. "Ik ben bezig met materiaal maar mijn kamer is zo klein dat ik het elke keer weer moet afbreken omdat ik geen ruimte heb." Het beeld van de blinde kat komt nog eens langs, ik kan hem zo voor de geest halen. Grote grijze, doffe ogen waar geen licht meer in kwam. Hij paste prima in de omgeving van dit klooster met haar bewoners. Zou hij zijn eigen plan hebben getrokken?

Rechts achterin de tuin kwetteren tientallen exotische vogels, ergens door opgeschikt, een eigen hoogmis. Is het offer voltrokken? "Ik kijk op niemand neer maar een conversatie is hier niet zo makkelijk, moet u weten." De auto wacht, ik stap en in rijd langzaam het terrein af. De straat en de stad uit om er morgen weer terug te keren, wie weet zie ik hem weer.

"Dank u voor uw tijd, ik wil u verder niet lastig vallen."


Niet te netjes anders blijven ze..

Jaren geleden sprak ik een medewerker. Slechts enkele maanden werkte ik in de wereld van de maatschappelijke opvang. Mijn trap der verbazing bleek wekelijks nieuwe treden te hebben. De instelling, de mensen die er werkten, woonden, langskwamen, de mensen waarmee we samenwerkten, het leek steeds meer op de achterkant van - een met veel huisvlijt in elkaar gezette - borduurlap vol met symbolen, letters en merktekens. Een raadselachtige wereld in het schemerlicht. Dit keer sprak ik me verbazing uit over de kwaliteit van de inrichting van de voorziening waar zij werkte. Het waren geen beste tijden maar om nu cliënten te laten slapen op – haastige op maat gesneden – schuimrubberen blokken en te laten zitten in met rook vernevelde slecht verlichte ruimtes waarin kapotgesneden plastik bankstellen om voorrang vochten om te worden besprongen en met sigarettenpeuken te worden getatoeëerd, ging mij toch wel aan het hart. Handdoeken waren krijgertjes of meegenomen door medewerkers, lakens kapot en vuil en men at van plastik borden. Ruimte om even rustig te praten was er nauwelijks; de straat was ook binnen.

Nadat ze me aangehoord nam ze een teug van haar filtersigaret, zoog verse lucht langs de brandende tabak haar longen in, blies de rook de ruimte in en antwoordde zelfverzekerd: "nou, het moet natuurlijk niet te mooi worden, anders willen ze niet meer weg." En weer voelde ik een nieuwe trede onder mijn voeten zich aandienen. Haar woorden werden - met de stelligheid van Luther - op een hersendeur vast gespijkerd. Later, toen we wat meer investeerden in het woon- en leefklimaat, lachte ze me wel eens toe wanneer er weer eens wat kapot was gemaakt. Ze lachte haar gelijk en eerlijk is eerlijk, een glimlach kan betoverend werken.

Maar zoals het gaat met betoveringen, niet voor lang.

 


Bamboechinno

Mijn 18 jarige dochter belt me mobiel. In het striemende watergordijn dat op het centrum neervalt en alles in grijstonen verandert, neem ik op. Terwijl ik omslachtig uitleg waar ik ben en hoe zij het beste kan lopen om mij te ontmoeten, onderbreekt ze me. "Ik begrijp waar je bent pap, ik zie je zo". De appel valt niet ver van de boom. We hebben een afspraakje, ergens eten in de stad. Zij komt met de bus, ik wacht op haar op de hoek van de Amsterdamse Veerkade. Turend – het blijft toch je kind – naar waar ze zo moeten opduiken in de regen, vraagt een man of ik geld aan hem wil geven. Mijn antwoord niet afwachtend loopt hij verder met zijn lege hand in de vorm van een kommetje. Het blijft leeg.

Daar is Eva, ze loopt zelfverzekerd naar me toe, begroet me en begint te tieren over de rijlesinstructeur die volgens haar niet goed snik is en levensgevaarlijke toeren uithaalt in de poging haar rijvaardigheid bij te brengen. "Waar zijn we eigenlijk?", vraagt ze zich af terwijl ze knikt naar de kleine winkelramen met exotische namen en dito inrichting en mij verder alleen laat met het verhaal van een man die mijn dochter kennelijk in gevaar brengt. "Uuh, in het centrum dichtbij de Chinese buurt", brul ik tegen de wind in en probeer me een warm eethuisje voor te stellen dat zich binnen enkele minuten aan ons openbaart. Laverend, auto's en fietsers ontwijkend, lopen we gearmd de Bierkade op. Ik zoek houvast, zij laat het los. De rollen keren zich om. De avond valt in.

"Goedenavond" hoor ik, terwijl mijn beslagen bril mij totaal het zicht ontneemt. Ik poets de glazen schoon en kijk recht in een vriendelijk gezicht. De zaak is leeg, op de tafels fikkeren de kaarsen om aandacht. Eva – ook een bril – kijkt met de haar bekende blik onbevangen rond en ziet mij op goed geluk naar een haak aan de muur lopen waarvan ik gok dat het dient als kapstok. De man blijf in mijn ruimte, ontwaart mijn kostuum, en vraagt zich hardop af: "doet u iets sociaals?" Goedgemutst (was het maar waar), klop ik hem op de schouder en zeg "ik doe zeker iets sociaals, zegt de Kessler Stichting u iets?" Eva schat in dat dit even gaat duren en neemt plaats. "De Kessler Stichting? Natuurlijk! U bent terug op uw roots!" zegt de man met een kenmerkende benepen, iets wat hese stem. "U bent immers in het voormalige Burgerhotel de Zon!" Zijn plezier steekt het mijne aan, natuurlijk het Burgerhotel, hier sliepen en aten mensen met een kleine beurs en later ook dak- en thuislozen. "Kijk u ziet het nog op ramen staan" en hij wijst naar het donkere buiten. Voormalige Burgerhotel nu Vegetarisch Eethuis de Zon. Geraakt door dit toeval, zitten we aan en vernemen we het menu van de dag. Eva en ik pakken de draad op, achter haar zie ik het logo van het eethuis, een stralende zon. Buiten vallen regendruppels als lovertjes in het lantaarnlicht. De man, na later blijkt de kok/eigenaar Herman Putman , houdt van een strakke planning. "Wilt u het hoofdgerecht tussen 4 en 7 minuten of binnen een andere bandbreedte?" Duidelijk werd waarom; het eethuis stroomde vol met - zo te zien - bekende en minder bekende gasten. Herman regisseert ijzersterk het orkest en kent elke melodie, elke contact bestaat uit een paar zinnen, zijn hese stem is als een metrum en draagt bij aan de stiltes die een gemoedelijke cadans brengen. Het eten (een bord met een rijke fantasie samengesteld menu) werd afgeruimd en ter afsluiting adviseerde Herman (Her) in plaats van de door mij – als grap – gevraagd beukennootjeskoffie, bamboekoffie of de Italiaanse variant: de bamboechinno.

Eva en ik waren om, op zo'n moment valt alles samen.


Waarom toch?

Nog nooit was ik binnen geweest. De gebruikersruimte aan de van Vennestraat doemt links van op nadat ik de scherpe bocht heb gemaakt op de Vaillantlaan, de 1100 meter lange levendige aorta van De Schilderswijk. Ook hier betaald parkeren. De gesmolten sneeuw glijdt onder mijn zolen door en ik wankel mezelf naar de hoek van de straat als ik word ingehaald door twee mannen die met elkaar een gesprek voeren over een rijbewijs. "Heb ik maar mag het niet gebruiken, moet eerst naar een psychiater" raspt een grote man met een opgeblazen gezicht tegen zijn, voor hem lopende, gesprekspartner. "Moet eigenlijk in psychoanalyse maar dat kost € 50.000,--". We naderen gedrieën de gesloten voordeur van het voormalige politiebureau en worden gepasseerd door een vierde man in een opvallend gekleurde broek. "Hé wat heb jij een mooie broek aan" vervolgt de raspende bariton verder en vraagt mij om bevestiging, "niet dan?". Een antwoord ontwijkend bood ik aan de psychoanalyse voor de helft van het geld te doen. "Hoezo ben jij dan een psychiater?". "Nee maar voor dat geld wel", grapte ik terwijl zijn wandelmaatje zich hardop afvroeg of hij binnen zou plassen of buiten. Haagse humor in nog geen drie minuten. Dat beloofde wat dacht ik, terwijl de zoemer van de deurvergrendeling klonk, op weg naar de bijeenkomst met De Achterban. Een club die zichzelf beschrijft als 'bond' voor (ex) daklozen, thuislozen en verslaafden. De binnenkomst was al net zo chaotisch als de buitenkomst. Mensen met broodjes in de mond liepen door elkaar, tafels en stoelen werden bijeen gezet. Een enkeling probeerde er structuur in aan te brengen en puzzelde met het meubilair tot een caleidoscopisch resultaat zichtbaar werd waar hij tevreden mee leek.

Een voorzichtige groet later schoof ik aan een tafel. Als gastspreker was ik uitgenodigd om het eerste deel van de vergadering te vullen. Voor mij lagen de vragen die vooraf waren opgestuurd. Nadat ik was geïntroduceerd stak ik mijn verhaal af. Na 10 minuten onderbroken door een eerste opmerking. "Dat weten we allemaal al, geef maar antwoord op de vragen", klonk vanachter uit de zaal. "Helemaal niet", weerkaatste een ander. Een start van een tumultueus verloop. De één na de ander stelde een vraag, vaak verpakt in een stellige opvatting over geld, rechten, wonen, schorsen en Polen. Terwijl ik koffie uit een plastik bekertje dronk en hoopte dat ik daarmee een restant van de hoffelijk aangeboden croissant mee kon weg spoelen, concentreerde ik me op de vragen tussen het opkomende rumoer. De spanning werd verbroken toen een man van middelbare leeftijd en, zoals hij aangaf, een goede bekende van de Kessler stichting, met veel gevoel voor drama zijn punten maakte. Hij bouwde zijn verhaal op en zijn liefelijk gezang ging langzaam over in een machtig gebrul over het onrecht, het leed en de nederigheid die zij moesten ondergaan. Met een uit het hart gezongen waarom toch? wees hij mij met beide handen aan. Enigszins verrast door zijn onverwachte talentvolle bijdrage, gaf ik hem antwoord maar zag - al pratend - mijn parelen op de grond rollen. Een antwoord was niet het doel, de proclamatie zelf was voldoende. Er volgde een aaneenschakeling van vragen, opmerkingen en antwoorden. Zinvol, dynamisch, emotioneel en oprecht. Zo laat het zich het beste samenvatten.

De tijd verliet mij maar toen de shag tevoorschijn werd gehaald en het geroezemoes toenam, kondigde de pauze zich aan. "Je hebt je goed verdedigd" vertrouwde een man mij toe op weg naar de binnentuin voor zijn rokertje. Hoewel ik antwoordde dat ik me niet aangevallen voelde zag ik de berusting in zijn ogen, hij was bekend met het antwoord. De Bariton zocht me op en vroeg of hij – straatambassadeur – ook politiebewaking voor zijn deur kon krijgen. "Heb je dat nog niet?" zei ik "schande!". De pret in zijn ogen nam zijn hele gezicht mee op reis. Een klap op mijn schouder volgde.

Op weg naar buiten probeerde twee mannen en een vrouw nog helderheid te krijgen over hoe ze snel een woning konden krijgen zonder dat gezeur van de hulpverleners. Terwijl op de achtergrond de stemmen klonken nam ik afscheid en wenste ze succes. Lege handen achter latend glibberde ik terug de auto in.


Bijzonder dichtbij

Een week van twee berichten. Een overlijdensbericht in mijn mailbox: H. was overleden en de datum van zijn begrafenis werd rondgestuurd aan mogelijke belangstellenden. Ik kende de man, niet goed, maar ik kende hem wel. We spraken wel eens alweer een aantal jaren geleden, vooral over hoe de dingen beter moesten. Beter bij ons wel te verstaan. Over zichzelf liet hij zich niet zo uit. Afhankelijk van zijn gemoedstoestand trof ik hem als de getroffene, de gekwetste, de boze of de vriendelijke en radeloze man aan. Hij is uiteindelijk vertrokken.

Het bericht valt op tussen al die andere berichten en zorgt dat er andere overleden cliënten bij me in gedachten opkomen. Met een kop koffie naast me pruts ik wat aan een paperclip en zie ze voor me en denk aan de manier waarop ze zijn gestorven. Vaak zoals we ze hebben leren kennen, alleen.

De post ligt voor me op tafel en leidt me af. Mijn handgeschreven naam en adres sieren een witte enveloppe. Op de tafel tussen de kranten en andere post valt hij op. Ik maak hem als eerste open en verwacht een sollicitatie, een klacht of een aanbieding van een gulle gever die ons wil verblijden met een onverwachte verrassing. Dat laatste wil nog wel eens uitlopen op een teleurstelling. Er zijn gekkere dingen gebeurd de afgelopen jaren. Op de brief valt direct het zelfgemaakte beeldmerk op, het is het kenmerk van iemand die ik heb leren kennen tijdens zijn verblijf bij ons maar ook wel eens ontmoette als hij er niet was en op straat of bij 'de buren' was. Een man met een missie en de behoefte die uit te dragen. Licht polemisch en uitputtend gedocumenteerd, trok hij vaak ten strijde. Hij dook altijd wel weer een keer ergens op. De laatste keer aten we een broodje en wenste we elkaar na een 'goed verhaal' het allerbeste.

In één getypt velletje maakt hij nu duidelijk dat het hem goed gaat en dat hij samen met een vrouw, met een wonderschone naam, aan de vooravond staat van een fantastische Kerst. In hun eigen woning wel te verstaan. Hij wenst me een gelukkig Nieuwjaar. Een prachtige wens die alle glossy en met veel huisvlijt in elkaar geknutselde kaarten, die in tientallen tegelijk binnenkomen deze dagen, in één klap afwaarderen. De ironie is dat hij en de overleden man elkaar kenden. Ik heb ooit samen met ze en anderen aan tafel gezeten om de warme maaltijden – waarover veel klachten waren – te proeven en zelf te ervaren dat ze groot gelijk hadden. In veel opzichten een hilarische winteravond. Pret, verdriet en gedeelde verontwaardiging gingen hand in hand. Een Kerstdiner met bijzondere mensen, dat gun ik iedereen.


Koning Winter

Rijp op het gras smelt niet meer onder de heldere zonnestralen. Wolkenloze hemel en noordoostenwind. De sterren flonkeren maar verlichten de aarde niet. Onder die hemel zijn mensen zonder woning, ook in Den Haag. Het heelal als donker plafond en de kou die de warmte wegtrekt uit de kleren, de huid en de ziel. Magisch realisme. Een paar honderd mensen zoeken naar een plek waar beschutting is en als het kan warmte en veiligheid. Deze weken is het gaan vriezen; de opvangmogelijkheden worden uitgebreid. Ook de verstokte 'buitenslapers' worden verleid. De winterse dood ligt immers op de loer. Een stoet aan mensen meldt zich, voornamelijk mannen. Een aantal kennen we, worstelen al lang met het straatleven. We missen ook mensen, die zijn verdwenen, doorgestroomd naar een 24-uurs voorziening of hebben we weer een woning. Niet voor iedereen is het een eindpunt. Je kan er ook weer vandaan vertrekken, de nightexpress.

Een aantal komt niet uit Nederland, het zijn Europeanen net als wij en woonden tot voor kort in Polen of bijvoorbeeld Bulgarije of Roemenie. Ze zijn er niet in geslaagd te voorzien in hun levensonderhoud en zoeken naar houvast in het donker van Den Haag, woordeloos en doof voor onze taal. In de avond- en nachtopvang krijgt een tiental van hen in het Pools uitgelegd wat de regels en afspraken zijn. In dezelfde week vragen onderzoekers naar hun achtergrond en situatie. In de vier grote steden wordt geprobeerd een profiel samen te stellen van de bezoekers in de winter.

De transpiratie en adem doordrenkt met de afgebroken alcohol vult de ruimte. Drank verzacht de werkelijkheid, legt er sluier om heen en wiegt je in slaap. Koning winter ademt zichzelf naar binnen en bevriest het laatste restje warmte. Met of zonder profiel.


Het krullenmeisje

In de auto knalt de enthousiaste stem van de kersverse premier uit de speakers. Zijn oneliner: 'De overheid is geen geluksfabriek', blijft hangen terwijl ik in de lift stap op weg naar de etage waar gezinnen worden opgevangen. Het is druk, er wordt gewerkt aan het vervangen van het versleten linoleum. Voor me staat een grote vrouw, op haar hoofd een gebreid mutsje en aan het oor een telefoon. Onder haar zwarte legging steken de voeten in slippers. Een krullenmeisje klampt zich vast aan haar benen. De vrouw telefoneert luidruchtig; het meisje meeslepend door de gang. Het licht prikt door de met glasverf versierde ramen. Vrolijke figuurtjes benemen het uitzicht op de parkeerplaats van de aanliggende seniorenflat.

De vrouw laat me zwijgend binnen om te kijken. Het lukt me niet goed om naar de vloer te kijken. Haar - inmiddels huilende - dochter en haar doffe blik leiden me af. Snel kijk ik rond, zie het met kleding en plastic tassen overladen bed, ga naar buiten en bedank haar. Afwezig pakte ze het gesprek aan de telefoon weer op. Het krullenmeisje kijkt me aan en met haar donkere behuilde ogen vangt ze mijn blik. Ik wil haar troosten maar loop weg, een zucht verlaat me en resoneert nog lang na. Een door de muur verwrongen babygehuil klinkt zachtjes op de achtergrond als ik de gang afloop. Twaalf volwassen, 16 kinderen en geen huis.

Sommige mensen nemen meer leed in zich op dan anderen. Het is net of de ellende niet wordt afgeweerd maar zonder barrière doordringt in het alledaagse. Een kind, een bron van geluk en verlichting, maakt de noodzaak tot een ritje in de "trein van geluk"groter. Nu eens kijken waar ik een een kaartje kan vinden voor het krullenmeisje. Het loket van de geluksfabriek is immers dicht.


Piet Praat

Al jaren zit hij meerdere malen per dag gehurkt tegen de muur of tegen de radiator in één van de gangen van het oude klooster. Zijn magere lijf ineengedoken, zijn hoofd in zijn handen. Soms kijkt hij op en roept - terwijl hij zijn blik scherp probeert te krijgen - je naam. Hij loopt snel, in zichzelf gekeerd struikelt hij bijkans de trappen af. De te grote broek en overhemd slobberen om zijn magere lijf, haren verward en een gezicht vol rimpels. Hij lijkt altijd haast te hebben, totdat hij zijn favoriete zithouding aanneemt en ineenduikt. Hij lijkt in stilte vragen te stellen, gelijk een filosoof in oude tijden.

Laatst kruisten onze wegen. "Piet, wat kijk je toch ingespannen, zie je wel goed?". Een diepe zucht, rommelende longen en een licht verbaasde blik. "Nee, ik zie niet goed, was laatst bij een arts, wat denk je dat die zegt? Je moet een leesbril!" Een schaterlach vulde zijn grimaserende gezicht, de bewegingsdrang werd groter en nam bezit van zijn hele lichaam. "Wat moet ik nu met een leesbril? Ik lees helemaal nooit!". Na deze nuchtere openbaring was mijn nieuwsgierigheid gewekt en besloot ik vaker een praatje te maken. Een Pietpraatje.

Een paar weken later zag ik hem weer zitten, gehurkt tegen de radiator. Ik probeerde min of meer dezelfde houding aan te nemen, mijn spieren spanden en ik voelde de metalen ribben van de oude radiator in mijn rug prikken. Het water suisde door de metalen ribben van de verveloze verwarming . Piet trok zijn hoofd uit zijn handen en keek me aan. "Ben jij Bram?" vroeg hij en stelde direct de vervolgvraag of ik wist hoeveel geld hij had. "Nee daar ben ik niet van op de hoogte Piet" probeerde ik monter en licht aangeslagen door de normaliteit die Piet aan de dag legde in deze situatie. Ik zit niet vaak in de gang op mijn hurken tegen een verwarming en verwachtte toch dat hij daar minimaal een opmerking over zou maken. Nee hoor, in tegendeel. Er volgde een verhandeling over geld, sparen en de liefde voor zijn zus die hem in zijn jonge jaren heeft verzorgd. Hoewel ze hem – vervolgende hij stoïcijns – zelden heeft bezocht, is zijn spaargeld voor haar. Ze heeft het verdiend. "Heb je nog andere wensen waarvoor je wil sparen?", probeerde ik. Zijn hoofd trok hij rechtop, het grimasseren stopte, hij keek me indringend aan, zijn lach overspoelde zijn gezicht "Nee joh, ik ben al in de tachtig". Daarmee was alles gezegd.

Terwijl ik voorzichtig mijzelf omhoog probeerde te hijsen zonder al te veel een potsierlijke indruk te maken, vroeg ik me (ter afsluiting) af of hij toch liever niet op een stoel zou willen zitten. "Nee hoor, de kachel is lekker warm" zei hij, het hoofd weer beschermend in zijn handen. Of het elk moment kon loskomen van zijn lichaam.

Vijf minuten later stapte ik in mijn auto, Piet reed in gedachten nog een tijdje met me mee.


Goed zo, ga zo door!

Een pleintje, een jong kind op de wipkip. Haar oudere broertje – in de schaduw van de boom - probeerde haar over te halen mee naar huis te komen. Zijn bezorgdheid bleef nog even hangen terwijl ik de fiets aan het hek vastzette. Een afspraak binnen in het voormalige schoolgebouw met de medewerkers van de opvanglocatie voor jongeren. Er wonen er zeventien; op straat terecht gekomen om vanuit hier weer ergens aansluiting te vinden. Ook is er ruimte voor nog eens tien jongeren die alleen maar 's nachts komen. Een gebouw vol jonge levens met getekende verhalen van verdriet en hoop.

De rode deur zwenkte open. De lokalen zijn verbouwd tot een woon/eetkamer en boven tot slaapkamers. Moderne lampenkappen hangen boven de grote tafel. Zachte kleuren, een flatscreen en internetplekje. De vitrage filtert het zonlicht die door de hoge ramen schijnt. In het kantoortje zit folie op het glas, als bescherming. De medewerkers vertellen indringend over de dingen die gebeuren. Na afloop, op weg naar buiten, een meisje met krullen die ik direct herkende van de foto in het krantenartikel dat mij net in de handen was gestopt. "Hoi, dat ben jij" zeg ik tegen haar en wijs naar de foto. "Ja" zegt ze zichtbaar gestoord in haar gedachten. "Heb je iets aardigs gezegd tegen de mensen van de krant?". "Ja hoor, ik ben altijd positief" zei ze glimlachend en startte een gesprek met twee jongens op het pleintje. De drie koersten naar het centraal station. Het meisje op de wipkip was verdwenen.

Ooit liepen hier kindervoetjes in gesokte sandalen over de gangtegels en kraakten de treden van de grote houten trap onder hun gewicht. Leraren met versleten ellebogen in hun colbert of later in ribcorduroy broeken met hemden in houthakkermotief dronken hun koffie in de lerarenkamer. Een enkele pijp ruste in de door een vlijtige leerling in elkaar gefrunnikte asbak. Grijze klei in een ijzeren ketel en bordenwissers die hun krijt uitdampten wanneer er heftig mee werd gewist. Het helpende handje van nu was de geluksvogel van toen die met een houten liniaal de wissers buiten mocht leegkloppen.

Alles voor een stempel in je schrift: goed zo, ga zo door. Daar redden we het allang niet meer mee.




 


Alles lijkt zo normaal

Ik parkeer naast het "Kijkgroen". De schommel wiegt zonder kind in de wind, de lage metalen geperforeerde bankjes staren me aan. Op de achtergrond de contouren van een vierkante grijze doos. De gestapelde portocabines van de Nachtopvang vormen een kubistische skyline. Het was weer eens tijd een kijkje te nemen. Losliggende stenen en puin ontwijkend loop ik naar de ingang. Een ijzeren rij een elkaar gelaste wit geschilderde zeecontainers vormen een horizontale mijnschacht. Aan het eind van de schacht de ingang. De ingang die elke dag het einde vormt van een lange dag buiten. En elke ochtend weer een uitgang van het begin van een zelfde lange dag. Vijfenzeventig mannen en vrouwen komen er in en gaan er weer uit. De voetstappen klinken hol en weerkaatsen tegen de ijzeren wanden. Door een getralied gat stroomt licht en lucht binnen. Een bewegingsloze ijzeren long. Er is geen muziek, een viool ontbreekt. Het zieltrekkende instrument, bespeelt door Pandora die alle ruwe en verstopte verhalen uit de gepolijst klankkast laat verlaten zou niet misstaan in deze lange rij containers. Maar de stilte heerst wanneer de mannen en vrouwen geduldig wachten totdat zij naar binnen mogen, hun spullen mogen afgeven, eten, douchen en slapen. En hopen op betere tijden.

Binnen heerst een rustige en vrolijke sfeer. De passanten zijn weg, het gebouw wordt klaargemaakt voor de volgende ronde. Enkele medewerkers ken ik. Een van hen opent zijn armen, houdt ze wijd uit elkaar iets boven zijn hoofd en roept nog voordat ik iets kon zeggen "welkom, er is sinds enige tijd een enorme rust in het PV neergedaald". De ironie en hij hebben een deal, ze beheersen elkaar; een evenwichtskunstenaar met een blijmoedige instelling. Met zijn welkom brengt hij mij in één klap op de hoogte bracht van de stand van zaken. Er waren spanningen in het team, nu zijn ze weg en wordt gewerkt aan de toekomst.

De medewerkers groeten joviaal en zijn trots. De leidinggevende en ik spreken even apart, ze excuseert zich bijna direct. "De mensen willen je zo graag laten zien hoe het nu is en welke vooruitgang we hebben geboekt." Ik beloof een tweede bezoek, zet mijn lippen aan de koffie en luister. Verbazen doe ik me niet meer snel maar toen ik op de hoogte werd gesteld van een kleine bouwkundige aanpassing door één van de oudere medewerkers, overviel me de verbazing toch weer. "Kijk Bram, ik ben bijna 65, werk nog ruim een jaar en maak daar een heel fijn jaar van". Ik heb hem wel eens minder vrolijk gehoord en was blij met deze positieve houding. Prompt nodigde ik hem uit om voor de ingebruikname van de nieuwbouw met nog een aantal (ex) medewerkers de afdeling te komen testen. "Daar houd ik je aan, ik ken alle truckjes!" Geen moment twijfelde ik aan deze uitspraak, nam afscheid en stapte de gang weer in. In de leegte een plastic tasje dat, half vol, ineengezakt tegen de wand van de containerwand aan stond. De schaduw van een vrouw vormde zich voor me, buiten stond ze in de zon een sigaretje te roken; een waakvlammetje. Haar bezittingen lagen al vast bij de deur.

De schommel hing stil, de wind was gaan liggen. Alles lijkt zo normaal.





 


Bedankt voor het praten

Een drukte op de gang, op het slecht verlichte halletje komen vier mintgroene deuren uit. Achter twee van hen wonen mensen, achter de andere twee werken mensen. De drukte is ongewoon, onze buurmannen redden zich best redelijk. Zeker 'onze dove buurman'. Hij klust wat bij een meubelmaker, bezoekt ziekenhuizen en doet boodschapjes. Bijna dagelijks piept hij even om de hoek, vooral bij mijn collega. In zijn kleine ronde hoofd schitteren ondeugende ogen, hij is klein, gedrongen en stijf. Hij draait niet meer met zijn hoofd maar met zijn hele lijf. Dat doet hij vaak in een poging nog iets met zijn goede oor op te vangen van wat je zegt. Zijn zinnen zijn kort, gewend aan zijn eigen doofheid vraagt hij eigenlijk nooit iets, hij zegt vooral iets. En dat in onvervalst Haags met de daarbij behorende Haagse humor en zelfspot. De drukte op de gang is vanwege hem. Hij is ziek, erg ziek. Alle medewerkers komen hem bezoeken en wringen zich in allerlei bochten op zoek naar oplossingen voor de zich plotseling verergerende situatie. Eén ding staat vast: hij blijft hier tot de laatste snik. "Ik ga mijn kamer niet uit" zei hij vastberaden. Zijn huid kleurde geel, zijn tred werd zwak en hij kwam zijn bed niet meer uit.

Mijn collega liep onlangs bij hem binnen en vroeg of ze nog iets voor hem kon doen. Ze dacht zelf aan het bellen van een 'verloren familielid' of iets dergelijks. Zijn ogen fleurde op; "jazeker kan je wat voor me doen, ik heb trek in een ijsje". Een ijsje als laatste wens. Koud en warm tegelijk. Zelf trof ik hem, een dag voor zijn overlijden aan. Liggend in een diepe slaap, een ingevallen gezicht, de neus spits en een onrustige ademhaling.

De dood, die vele gedaanten kent, werd ongeduldig en nam bezit van zijn lichaam. De volgende dag overleed hij. Op zijn kamer. Medewerkers waren bedroefd, moe, aangeslagen en steunden elkaar. Hij woonde er al tientallen jaren, deelde altijd snoep en fruit uit aan de medewerkers en maakte zijn praatjes. En hoewel zijn geheugen soms wat haperde, kende hij je voorkeuren, voor mij was het 'echte slagersleverworst'. Die kwam hij dan brengen vergezeld van een verhaal over een bezoek aan een dokter die hem weer voor 'jaren had goedgekeurd'. Voor mijn collega bracht hij snoep, koek of een appeltje inclusief schilmesje. Zij heeft er zelfs een trommeltje voor aangeschaft; de laatste weken raakte het leeg. "Bedankt voor het praten" riep hij vaak wanneer je eigenlijk geen tijd voor hem had en het gesprek kort hield. Daar stond je dan.

Een half jaar terug liet ik mijn vrouw en mijn jongste dochter mijn werkplek zien. We kwamen de buurman tegen. Hij keek naar mijn vrouw, naar mij en vervolgens naar de kleine meid; ze was vier. "He kleine. Ik heb voor jou wat lekkers" zei hij en gaf haar een Marsreep. Ze nam het aan en at het in de auto op. De eerste Marsreep in haar leven. Nog herinnert ze die 'oude opa die haar iets lekkers had gegeven op jouw werk'. Ik vertel haar niet dat hij is overleden. Zoveel macht wil ik de dood niet geven.

"Bedankt voor het praten", we zullen je missen.

 


Een verlanglijstje

In de half gevulde recreatieruimte, speelden mannen een potje kaart. Klaverjassen, het bridgen van de onderklasse. Boven de sigarettenrooknevel staken vier gebronsde hoofden uit. De grootste van het stel had mij in het vizier en keek me schuin aan. Hij wist wat ik kwam doen en zijn verlegenheid won het van zijn – op straat opgedane en verfijnde – branie. Achter mijn rug hield ik een zilverkleurig fotolijstje met daarin een foto van hem. De foto was toevallig genomen. Een jonge fotograaf had de opdracht mij te vast te leggen voor een jaarverslag, kwam te vroeg en ontmoette hem toen hij "een bakkie aan het doen was." Hij maakte dankbaar gebruik van elke kans die hem verloste uit de klauwen van verveling en poseerde. He directeuahr, je ken gaan zittuh hoar, ik heb als proefkunijn gediend, waren de begroetingszinnen bij mijn binnenkomst. Drie man in een hele grote en lege zaal. Flitsen, anders zitten en tien minuten later brak de jonge fotograaf zijn stellage weer af. Ken ik die foto van mij krijguh? Vroeg hij schuchter. "Uiteraard", zei de jonge fotograaf, "ik stuur hem wel toe". Weken later was de foto binnen en hebben we er een lijstje omheen gekocht. De grote man die graag het initiatief nam in gesprekken, viel stil toen hij zichzelf bekeek. Een blos kleurde zijn verweerde huid, zijn ogen werden nat.

Terwijl hij zichtbaar aangeslagen de kaarten had neergelegd, grepen de maatjes hun kans."Man wat ben je lelijk, in het echt ben je knapper." En, "Dat jij houdt op papier! Van mij heeft alleen de politie een foto." Het ginnegappen verstomde toen ik vroeg wie er nog meer een foto van zichzelf had. Alle ogen keken neer. Niemand. Niemand bleek een beeld van zichzelf te hebben.

Weken later, had zo'n beetje iedereen de foto gezien. Er zijn verlanglijstjes.


Ode aan de geit

Het – achter twee aaneengeschakelde herenhuizen liggende – voormalig klooster herbergt vijftig bewoners. Zij wonen daar beschermd; letterlijk en figuurlijk. Onzichtbaar voor de buitenwereld pal tegenover de Koninklijke Stallen en dus ook dichtbij onze Vorstin, althans op werkdagen. Zij lijken wel wat op elkaar, de Vorstin en de bewoners van het voormalig klooster. Het zijn buren met begrip voor elkaars situatie. Nu heeft de Vorstin paarden, dichtbij haar werkpaleis. De kloosterbewoners niet. Zij hebben twee geiten en een volière met vogels. Maar de vreugde is er niet minder om. Aan één kant van het gebouw, dat het verweerde cement uit haar voegen aan het persen is, is een voormalige kloostertuin gelegen. Genoeg ruimte. Daar waar knoestige nonnenhanden vroeger de moestuin bewerkten staan nu bankjes, groeien struiken en is er een stukje afgezet voor de geiten. De afgelopen jaren kon men de twee geitjes zien groeien, niet in de hoogte maar in de breedte. Her en der werd wat extra's toegestopt door de bewoners. De geiten, niet snel meer onder de indruk, aten het genadig. Op een dag stond één geit in een positie die wees op een ongemak. Mank. De ingeroepen dierenarts constateerde artrose en obesitas. Het leven als stadsgeit in de beschermde woonomgeving had zijn tol geëist. Met een heus bijvoederverbod en pijnbestrijding werd het leven vergemakkelijkt, tot voor kort de mededeling kwam dat het niet meer zo langer kon. De pijn werd te hevig en de dierenarts adviseerde dat 'inslapen' het beste zou zijn voor het beestje.

Niemand twijfelde aan zijn oordeel, een brief werd opgehangen en het nieuws werd verteld. In de ochtend van het afscheid stond een groepje mannen rondom het hek. Mannen met een geschiedenis die haaks staat op die van de nonnen wiens kamers zij hadden betrokken. Hoewel sommigen van hen ook in stilte leven maar dan niet vanuit overtuiging. Nee, het zijn geen praters, op enkele spraakzame grappenmakers na."Hé directeur, er komt toch wel een nieuwe geit hè?". "Je ruimt toch zeker niet gelijk de boel op? Pas op hoor anders kom ik in opstand". Gelach vulde de stilte. Stoere taal van mannen die met bruine vingers van het roken, en met een leven doortrokken stem, tegen het hek leunden en zich – kijkend naar het geitje – groot hielden. "Er komt nieuwe have!" Riep ik en vluchtte in de schaduw van de enorme bomen die met hun takken in de hemel wortelden.

Helaas hebben we geen ruimte voor een paard. Jammer, het is bijna zeker dat wijlen Prins Bernard, wiens foto niet zou misstaan in één van de eetzalen, schalks zou lachen en zijn dochter zou aanmoedigen edelmoedig een paard te detacheren Het nobele dier zal zijn makkers bij goed weer aan de overkant horen briesen. Het zal niet zover komen, een maatje voor de overgebleven geit is goed genoeg. Daar doen we het mee. Ook voor een geit geldt immers dat alleen maar alleen is.


Vergaderen op locatie: de bouwkeet

Langzaam draaide de schroef in de aarde. Plaats voor het storten van een betonnen paal voor het fundament van ons nieuwe hoofdgebouw. Mannen in een kuil, kleurige helmen op, wijzen zwijgend de orders door. Op het 'droge' staan felgroene containers op elkaar gestapeld met een ijzeren trap er aan vast geklonken. Het kantoor, of liever gezegd, de bouwkeet. Een nieuw avontuur tegemoet; een bouwvergadering op locatie. Binnen enige verwarring, mannen die niet of nauwelijks hun blik van de papieren afwenden, deuren die allemaal op elkaar lijken en geen enkel aanknopingspunt. Halverwege gokte ik het erop, een ruimte met een tafel en stoelen. Nam plaats en zag zo'n acht mannen en een vrouw binnen druppelen. Mijn collega nam naast mij plaats. Door het raam scheen de zon de kamer warm en schitterde op de plastik helmen van de bouwmannen buiten. Iets maakte een kabaal, een aggregaat een pomp? Onbekend met dergelijke geluiden probeerde ik in te schatten wie er allemaal was en wat ze kwamen doen. Na een korte voorstelronde begon het overleg, de koffie brandde door het plastik bekertje heen mijn handen.

Links van mij een man in hemdmouwen, groot horloge en dito stembereik. Hoewel hij geen voorzitter was nam hij spoedig de leiding. Nog inschattend wat zijn rol precies was werd de aandacht getrokken door een tweestrijd tussen twee onderaannemers/adviseurs. Het was mij om het even waar ze precies verantwoordelijk voor waren maar heel erg met elkaar eens waren ze het niet. De gesprekken liepen sowieso niet via de voorzitter. Nee hier golden andere regels. Regels van de bouwkeet. "ik heb andere tekeningen dan jij" en "dat kan niet" pikte ik op als de kern van de discussie. Meer mensen gingen er zich mee bemoeien en uiteindelijk deden mijn collega en ik mee. Je kan moeilijk stil blijven als het continue over het gebouw gaat wat onder onze neuzen werd gebouwd. Hoewel de essentie van het geschil mij was ontgaan besloot ik met 'laten we het uitzoeken'. Wel vaker een succesvolle afronding.

Nadat de hormoonhuishouding weer enigszins op orde was en er afspraken waren gemaakt, ontpopte de voorzitter, sloeg zijn vaderlijke vleugels uit en vatte één en ander samen. We werden bedankt, de vergadering ging verder zonder ons. Bij het afscheid bedankte ik een ieder en beloofde hen vaker te komen. Hoewel het enthousiasme niet wederzijds was kon men de lol er wel van inzien. Buiten voelde ik me ontheemd, bouwmateriaal ontwijkend en stof happend, ontving ik weer die bouwgeluiden luid en duidelijk. Dat gebouw komt er wel dacht ik en zwaaide naar iemand die niet naar mij zwaaide maar naar iemand in een kraan. Onhandig stapte ik in mijn auto, ik ben zeker van plan terug te komen. Na de zomer, wanneer de eerste verdieping staat, schuif ik weer aan desnoods met helm.


Kijkgroen

Terwijl om me heen de bouwgeluiden tegen de wanden van de omringende huizen weerklonken, stapte ik, genietend van het prille zonlicht, de auto uit en verbaasde me dat ik zo dicht bij mijn afspraak kon parkeren. In een voormalige huiskamer van een pand aan de rand van het Viljoenpark (Transvaal) is een vergader/werkplek ingericht waar het stadsdeelbestuur gebruik van kan maken. Een politieagente passeerde me op de weg naar buiten. Een hartelijke ontvangst van gemeentewege viel me vervolgens ten deel. Aan de geschikte tafels waren mijn collega en ik de laatste van de negen genodigden.

Afkomstig uit diverse instellingen (op een buurtbewoner na) en allemaal min of meer betrokken bij het Viljoenpark. Een park dat in mijn beleving zijn weg naar boven bloeide en parmantig lag te zijn tussen de straten er om heen waar wekelijks nieuwe woningen worden opgeleverd. De volkswijk van destijds wordt aangepast aan de moderne tijd. Nieuwe huizen, groter, duurder en minder inwoners dan voorheen en her en der een mooi stukje beleidsmatig en planologisch bedacht groen er tussen. Aan de kopse van het Viljoenpark komt de 'achterkant' van het nieuwe hoofdgebouw van de Kessler Stichting, dat haar deuren daar in 1924 reeds opende en dat in 2012 graag weer doet maar dan in een nieuw hoofdgebouw. Nu is het nog een bouwput met een paar portocabines waar tijdelijk elke nacht 75 mensen worden opgevangen, dakloze mensen om precies te zijn.

Doel van de bijeenkomst is de overlast die 'onze cliënten', in het park zouden veroorzaken, te bespreken.

De buurtbewoner bracht de sfeer er goed in met de foto's van een man die uren op een bankje voor zijn huis had zitten slapen. Bewijsmateriaal, uit zijn huiskamer gefotografeerd. "Pas om 22.00 's avonds werd hij door de politie wakker gemaakt". Droogjes vroeg ik me af wat hem weerhouden had de man aan te spreken die kennelijk vlak voor de finish (de nachtopvang is 50 meter verder) was gestrand maar richtte me tot de voorzitter die een toonbeeld bleek van besluitvaardigheid, zij vroeg zich af "om wat voor aantallen" het ging."Nou", zuchtte de lokale veldwachter, "laten we niet overdrijven, het zijn er maar vier. Ik ken ze ook, ze komen uit de nachtopvang en gaan daar vaak zitten een paar uur voordat de nachtopvang open gaat." Met enige schroom keken we elkaar aan. "Misschien is het straatteam op de hoogte van het feit dat deze mensen zich ophouden in het parkje?", probeerde ik nog hoopvol. Helaas, dat wist niemand van de aanwezigen. De mannen van de welzijnsorganisatie Zebra (what's in a name) die hangjongeren aanspreken wilde nog wel even aanroeren dat de 12 minners de daklozen tegen het lijf lopen wanneer de school uit gaat. "En dat wil je natuurlijk niet." En dat de oudere jeugd zich vooral ophoudt buiten het park in een aangrenzende speeltuin.

Nog enigszins beduusd van het gemak waarmee de 12 minners werden genoemd door de mannen van Zebra, drong het tot me door dat de buurtbewoners met name bezorgd waren over de aanwezigheid van volwassenen/hangjeugd die niets in de speeltuin te zoeken hadden. Begrijpelijk leek me en zag toen pas, op de foto van mijn buurman, dat de speeltuin niet in het park stond maar er buiten. Daardoor kon de speeltuin niet worden afgesloten, om het park staat een hek dat 's avonds om 22.00 dicht gaat. Een beetje 12 plusser komt dan pas goed op gang en pakt wat verloren jeugdmomenten terug schommelend en blowend op de wipkip. Ik zag het voor me en kon mijn verbazing over de plek van de speeltuin buiten het park dan ook nauwelijks voor me houden. Mevrouw de voorzitter – mijn ingehouden verbazing goed aanvoelend - nam een diepe teug lucht en lispelde dat 'er door knappe koppen goed over nagedacht was', de wijk heeft er KIJKGROEN bij en aangezien het hele project nog niet was overgedragen aan het stadsdeel waren haar handen gebonden. Om de aandacht wat te verleggen werd de buurtbewoner terstond benoemd tot voorzitter van de wijkvereniging in oprichting en beloofde we het initiatief te nemen om de vier mensen die om de een of andere reden eerst naar het groen willen kijken alvorens te worden opgenomen voor een nachtje slapen aan te spreken; hoewel mij de noodzaak daarvan inmiddels was ontgaan.

Mijn collega en ik liepen naar buiten en zagen om de hoek het besproken Viljoenpark. We besloten 'the crime scene' eens even te bekijken. Het was 16.00, naast ons op een bankje een keurig verzorgde jongeman. Oordopjes in, petje op, sportschoenen en een rugtas. Hij knikte gedag en liep richting de nachtopvang. Achter ons een smalle strook groen waar kinderen met een bal speelden. Voor ons een halve hectare aarde met daarin allerlei planten. Groen om naar te kijken.

Geen park, geen gras, geen mensen die overdag onder bomen in de schaduw lummelen, spelen, praten, BBQ-en of voetballen. Wel banken waar je op kan zitten kijken, kijken naar het groen, dat dan weer wel.


Inzicht geeft uitzicht

Landgoed Te Werve

Maandag was ik op het Landgoed Te Werve in Rijswijk. Voor de buitenstaanders: een prachtige plek met water, bosschages, oude bomen, een duiventoren, grind en - een enigszins aangetast door de tijd - een wit hoofdgebouw. Ik was daar niet alleen. Met zo'n 35 mensen van (de gastheer) woningcorporatie Staedion en tal van maatschappelijke samenwerkingspartners. Staedion wilde antwoorden op de vraag: hoe houden we de voorzieningen op peil in de (kwetsbare) wijken terwijl er bezuinigd gaat worden? Deze corporatie wil inzicht, inzicht in de samenleving waar zij een belangrijke functie vervult. Ze verhuren en bouwen er namelijk woningen. En inzicht geeft uitzicht (Joop den Uil). Om die reden zeker een goed initiatief en ook serieus zoals de bestuurder van Staedion ons dan ook vriendelijk maar serieus voorhield tijdens zijn welkom.

Den Haag is verwend met mensen die uit met onvervalste puurheid een boodschap kunnen overbrengen. Hoe de inhoud van de boodschap ook is, de vorm speelt er altijd een belangrijke rol in. Naast Erica Terpstra hebben we namelijk ook onze 'eigen' ex-wethouder en ex-staatssecretaris Jetta Klijnsma. Beide iconen zitten wat ruim in de tijd momenteel (hoewel Erica geloof dagelijks wordt geridderd) maar Jetta was gevraagd en bereid de aftrap te verrichten. En aftrappen kan dan deze 'kanjer', met elan en een eigen geschreven speech zette ze de toon.

"Waar zijn toch die bekende buurtbewoners gebleven die in het stadhuis luidkeels hun zaak kwamen verdedigen? En spreken we mensen wel aan op hun eigen kracht en organiseren we niet te veel voor ze? Wat doen jullie als 'stutten' in de maatschappij, hoe pakken jullie de uitdaging op? Gaan we decentraal werken en houden we daarbij ook centraal alles (formatief) vast of snijden we daar ook in de kosten?" Ook ging de hand in eigen boezem. "De overheid kan er ook wat van als het gaat om geld uitgeven", sprak zij met een licht ironische toon. "En ook de gemeente Den Haag kan zich nog wel eens afvragen of het allemaal niet wat kleiner kan."

En daar gingen we, trap af, richting de eetzaal waar we in tafels waren ingedeeld. Onze tafel had zich – met enige overmoed – gewaardeerd als tafel één. We moesten aan de slag. Tja daar zaten we dan; vijf mannen (organisaties) die elkaar wel herkennen maar eigenlijk niet kennen. Een belangrijke conclusie volgens ons. We tafelen, vergaderen, mailen en lezen elkaars jaarverslagen maar gaan vaak op in de deels door ons zelf georganiseerde drukte. De burgers van Den Haag kennen ons wel en gaan er vaak van uit dat wij elkaar ook kennen. Dat het logisch is dat wanneer een buurtconciërge een huurder in problemen tegenkomt even kan bellen met een collega van Welzijn, van de Kessler Stichting, het stadsdeelkantoor, de schuldhulp, de wijkagent of met iemand van een andere instelling waar de huurder hulp en begeleiding van krijgt. Helaas het is anders. We zijn vreemden geworden terwijl we schouder aan schouder dezelfde voordeur proberen in te gaan om de allerzwaksten met goede bedoelingen te helpen maar we jagen ze soms de stuipen op het lijf en bereiken in veel gevallen het tegenovergestelde van wat we willen.

Tafel één kwam tot deze aanbevelingen: Geen vervreemding maar contact, geen concurrentie maar samenwerking. "Geen gelul maar poetsen" om maar eens een collega te citeren. "Beter af en toe achteraf om vergiffenis vragen dan vooraf om toestemming" is ook een citaat dat mij te binnen schoot. We doelden natuurlijk op ondernemerschap maar in het huidige Rooms Katholieke klimaat viel dit citaat, toen ik het plenair ter berde bracht, plots in een heel ander kader. Hetgeen mij verbaal enigszins deed wankelen. Gelukkig kon ik mij beroepen op mijn hernia en vond houvast op de stoel die voorzichtigheidshalve had mee geschoven.

Alle zes de tafels proclameerden hun oplossingen. De bestuurder van Staedion werd bedankt en bedankte ons en zette Jetta in de bloemen. Zij verraste ons gelukkig nog met een hartversterkende opmerking "er moet gesneden worden in de kosten maar aan de jongeren onder jullie: het waait weer over hoor en dan schijnen er weer duizenden sterren aan de hemel.". De enige jongeren die ik zag waren de jongens en meisjes van de bediening maar die waren professioneel doof en deden onverstoorbaar hun werk. Wij vermoedelijk vandaag en morgen ook weer. Of mannen van tafel één..zullen we echt iets praktisch doen? En de woorden die in de Rijswijkse hemel hangen inademen en uitvoeren? Of zijn wij ook professioneel doof?

 

 

 


“Orde en chaos”

Waarom weet ik nog niet maar een paar keer per week zetten de mannen die de vuilcontainers komen legen bij de locatie waar ik mijn kantoor heb, de lege containers voor het hek terug. Een hek dat toegang verleent tot de parkeerplaats en de binnentuin. Misschien is het desinteresse of zou het een verzetsdaad van de mannen zijn? "Zet maar lekker zelf je lege container terug, wij hebben hem immers al voor je geleegd." Ach, ik zet ze opzij en rij naar binnen. Waar zeur ik over.

Daar binnen is het terrein van een van de vijftig bewoners, laat ik hem Karel noemen. Karel heeft een meer dan normale aandacht voor de containers, hij is er druk mee. Waarmee is me niet helemaal duidelijk, ze moeten vooral recht staan geloof ik. Orde in de wereld van chaos. Karel houdt sowieso van orde. Hij trekt zo zijn eigen routes en groet mij meerdere malen per dag. Voor-voor en achternaam. Nooit los van elkaar altijd in elkaars verlengde, al komt hij me 10 keer tegen. Orde. Ons contact blijft tot deze stilzwijgende afspraak beperkt, al meer dan twee jaar. Totdat hij vorige week mijn kamer in kwam. Dat ik daar met iemand zat te praten was geen hindernis voor hem. Er was iets belangrijks. "Ik wil meer zakgeld, ik krijg maar € 20,-- en dat is natuurlijk veel te weinig", begon hij. Mij gesprekspartner die haar verbazing professioneel onderdrukte, bleef geamuseerd kijken naar het vervolg van gesprek. "Het moet omhoog naar € 40,--, er staat genoeg op de bank, dussuh..". Hij noemde de hoogte van zijn totale tegoed en lachte zijn tanden bloot toen ik hem vroeg of hij dat niet nodig had voor de aanschaf van een nieuwe auto. "Nee, dat is verleden tijd, vroeger had ik een motor", ik knikte begrijpend toen Karel er nog een onverwachte toevoeging bij deed. "En mijn vrouw is dood, dus, ja".

Met een dergelijk motief had ik geen rekening gehouden en beloofde hem zijn verzoek aanhangig te maken. Bij die lange van hiernaast" hoorde ik mezelf zeggen. Helemaal fout om mijn collega zo te duiden maar voor Karel was dat het signaal mijn kamer te verlaten. De deur dichttrekkend en mijn namen onder dankzegging voluit uitsprekend piepte hij "maak er dan maar € 45,-- van". Ik legde aan het eind van de dag een kladblaadje met de daarop met viltstift geschreven tekst: Karel € 20 --- € 45,-- op de kamer van mijn collega. De volgende dag liep ik 's middags door de gang, Karel spotte me en haalde zijn schouders omhoog. Ik bedacht me dat ik mijn collega geen verdere uitleg had gegeven behoudens een kladje op haar buro maar riep toch met vanzelfsprekende verzekerdheid: "Die lange zit boven, je kan het met haar bespreken". Aan het eind van de dag keerde ik terug, enigszins uit het lood van een bespreking in het stadhuis. Nog verdoofd van deze Alice in Wonderland ervaring, liep ik naar boven en keek recht in de ogen van mijn collega. Ze is inderdaad lang maar kort van stof. Het was geregeld met Karel en zij en de teammanager konden de lol ervan in zien. Gelukkig. Karel groette me die avond niet anders dan anders. Orde. Ik stapte in, draaide mijn raampje nog eens open (ook een Karel ritueel), wenste hem een fijne avond en zag voor het eerst een motorrijder in Karel, een zijspan denk ik.


In de rij

Ze schuifelde in de rij naar voren, een onbeduidend loket lonkte. Na een knikje nam ze plaats tegenover me. Ongemakkelijk probeerde ik haar in de ogen te kijken, ze ontweek mijn blik en kneep met haar doorrookte vingers in het plastic bekertje. Koffie met melk en veel suiker. Duizenden keren heb ik mensen ontmoet, vaak in schaamtevolle en ontluisterende situaties. Contact is als ademen. Het gaat vanzelf en wordt vervelend wanneer het stokt. Bij een lopend gesprek ademt de één in en de ander uit, het liefst om en om. Maar soms is dit ritme verstoord. De sfeer wordt benauwend, klemmend, condens op de ramen en een steeds langzamer tikkende klok. Het lichaam komt in verzet, schouders, handen en bovenbenen geven de spanning aan. Ik voelde het ongemak maar verzette me er tegen.

De vrouw voor me kende ik vaag en kon haar niet zomaar passeren. Ik knikte en bood een stoel aan. Geen probleem. Ze praatte volleerd. Zonder veel wisseling in de toon spoot uit de vele door hulpverleners geprikte gaten uit het dunne vlies dat haar stuwmeer aan levenservaringen probeerde tegen te houden, het ene na het ander verhaal. Turend op een plek op de muur achter mij nam ze in vogelvlucht haar leven met me door. Althans, ze doceerde ellende. Ze had het vaker gedaan en ze zou het nog veel vaker doen. Kinderen waren opgevangen in verschillende pleeggezinnen, drugs en prostitutie hadden haar leven verwoest. Haar getormenteerde lichaam onderstreepte het verhaal. Haar huid leek op sommige plekken opengebarsten om ruimte te geven aan het gif dat zijn uitweg zocht. Het licht in haar ogen werd gebroken door het brakke water dat er in leek te drijven. Zou ze de zon zien zoals ik? In sommige gesprekken is een ander ritme. Vragen kwamen niet te pas maar woekerden om voorrang in mijn hoofd. Geen vraag kwam naar buiten, het contact bestond uit zwijgen. Wat ging er door je heen, wat voel je? Zie je nog een uitweg om ooit zelfstandig te gaan wonen? Kan je van de drugs afblijven, mis je je kinderen, heb je nog contact met je familie, hoe kom je van je schulden af? Kan je nog werken en zo ja wat kan je dan? Stilte. De antwoorden wist ik al. Schulden konden gesaneerd worden, lichamelijke ongemakken konden worden verholpen, methadon was voorhanden, psychiaters waren op afroep beschikbaar en misschien konden we een woninkje regelen. Maar dan? Helemaal alleen zonder genotsmiddelen, zonder een 'normaal netwerk van liefhebbende mensen' zonder geld en helemaal niets om handen op de tweedehands bank een goedkoop shagje roken? Hoelang zou het duren voordat het dunne vlies het stuwmeer niet meer kan tegenhouden en de druk ondraaglijk wordt? Is iemand zo sterk deze last te dragen, te verwerken zonder terug te grijpen naar het bekende en altijd aan de deur kloppende oude leven? De dood huist in ons allemaal, dat is aan de ene kant een geruststellende gedachte maar soms heeft ze de weg naar buiten gevonden en kijkt je recht in de ogen. We zeiden elkaar gedag, zij schoof terug in de rij van de marge, schouders omlaag, plastik tas in de hand, een gedoofde sigaret in de andere. Huiveringwekkend realistisch.


Emotie is politieke rationaliteit

Na enig zoeken en dankzij twee geüniformeerde ordebewakers trof ik mijn medecursisten aan in het souterrain van een zalencentrum dat zijn glorie al enkele decennia geleden had verloren. Een helblauw gestoffeerde trap bracht me naar de onderwereld die matig door hoge raampjes werd verlicht. De bewolkte lucht schoof aan ons voorbij evenals het geluid van het treinverkeer. De cursusleider bleek een bekende uit de Haagse politiek. We begroetten elkaar hartelijk en ik schoof aan in rechthoek geformeerde tafelschikking. Het onderwerp was lobbyen en met name hoe dat aan te pakken als maatschappelijke instelling. De cursusleider sprak met een jongensachtige enthousiasme gelardeerd met onvervalste VVD humor. Adel verplicht immers. Vol trots vertelde hij over het spel dat politiek heet en hoe je zo goed mogelijk gebruik kan maken van de momenten waarop besluiten worden gemaakt. Zelf, fractievoorzitter en Kamerlid in spé, schuwde hij geen enkele blik achter de coulissen. Dat is immers de plek waar het echte toneelstuk wordt gespeeld. Het stuk dat het volk te zien krijgt is immers voor de bühne. Mijn land- en vakgenoten keken deels met verbijstering rond en deels met een blik van herkenning. Diepe groeven van ingesleten ergernis wisselden af met de vrolijke ogen van een kind in een snoepwinkel. De één zag kansen en de ander narigheid en bevestiging. De één zag de waarheid, de ander de werkelijkheid. Het betoog werd even onderbroken door 'mensen uit de lokale politiek'. Een wethouder had zowaar dertig minuten vrijgemaakt, een hoge ambtenaar toog achter zijn aura aan. De wethouder, een jonge dertiger, blauw streepjespak, bruine schoenen en een knalblauwe glimmende das, bleek een kruising tussen van Aartsen, Zalm, Brinkman en een willekeurige voorzitter van de JOVD. Een prachtige gereformeerde slag in zijn haar verraadde zijn achtergrond. Een slag waar onze premier jarenlang om heeft gebeden. De man was duidelijk en riep, ware het een dominee, dat iemand die het spel en de structuur van de gemeente niet kent bij hem geen kans maakt. "Daar heb ik geen zin in". Ook stukken langer dan één A4 werden door hem niet gelezen en direct doorgeschoven. "Nee, luisteren doe ik wanneer een organisatie mee zie denken met de maatschappelijke opgave die we hebben en die niet direct over geld begint".

Ik sprak hem hierop aan en nam het op voor kleine organisaties die niet alleen met man en macht proberen alle regelgeving te volgen en uit te voeren maar ook zich moeten verdiepen in de structuur van een gemeentelijke organisatie. Daarboven op de grootste uitdaging: de cultuur van gemeentelijke organisatie begrijpen. Wethouders komen en gaan. Beleidsafdelingen blijven. Een zegen en een vervloeking in één. Cultuur veranderen lukt bijna geen wethouder in één periode, zeker niet wanneer hij/zij een klein deel uitmaakt van de politieke macht. Dat is de ratio. Maar zoals onze ter zake kundige cursusleider al zei: "emotie is politieke rationaliteit". De wethouder en ambtenaar pruttelden nog wat na en verdwenen. De dag eindigde praktisch met een voorbeeld hoe een lobbyplan te maken. Op de laatste sheet een foto van Kolonel "Hannibal" Smith van de serie, uit de jaren tachtig, het A-Team. Zijn adagium pronkte onder zijn afbeelding "I love it when a plan comes together". Ook bij onze cursusleider en Bosnië veteraan kroop het bloed waar het niet gaan kon. Hij sloot af en ik zag hem even heel even in de houding staan. Buik vooruit, jasje dichtgeknoopt, kin omhoog. Salut! Het was een mooie dag.


Het is goed

De zwarte zachte tegels lopen onder mijn voeten vandaan. De kleine openingen waarlangs waternevel de weg naar boven vindt, zwijgen al weer een poos. Het plein naast het stadhuis is leeg op de leegte na. Jongeren laten zich in de veiligheid van hun subcultuur zien. Onhandig balanceren zij op een plank met wieltjes. Strak kijkend, een somberheid acterend, spiegelen zij zich als narcisten in het zwarte glas van het theater dat als een rechthoekige Yin naast het stadhuis staat te glimmen in lentezon. Ik kies een rand om te zitten en vouw de krant uit, te vroeg voor een afspraak te laat voor een kop koffie. Naast mij zijgt een man neer, een zwarte man, moe van het lopen. Zijn schoenen kapot, zijn handen als knotwilgen gekleumd om de hengsels van een plastik tas. De haren slierten structuurloos in de wind. Onbeschaamd neem ik de man in mij op zoals een marktkoopman zijn toegestroomde publiek. De neiging hem aan te spreken verliest het van de drempel die zich, steeds groter groeiend, voor mij voeten vormt. Bij oogcontact zijn er drie seconden waarin mensen besluiten elkaar aan te spreken of niet. Te laat, de evolutie wint het. Ik sta op, vouw mijn ongelezen krant op en ga naar mijn bestemming. Het geleerlooide gezicht kijkt op, de ogen samengeknepen, een veelbetekende blik. "ga maar, het is goed".

    


Belangeloos is niet onbelangrijk

De prille voorjaarszon prikt via het spiegelende water door het raam van het visrestaurant. Tussen de bleke mensenhoofden van het terras, het zicht op de klapperende touwen aan de masten. Wit/grijze meeuwen dansen - ogenschijnlijk ongeïnteresseerd - in de wind, klaar om toe te slaan. In de stilte van het restaurant is de crisis voelbaar. De borden staan dampend op tafel. Mijn tafelgenoot begint met een zekere hand "het vissie" te fileren. "Hoe is het met je Bram"? Het antwoord rolde als klaterend water over mijn lippen, op tafel en verdampte. Zijn verhaal volgde. We kennen elkaar nauwelijks op een paar cruciale momenten na. Dat was de kennismaking en het afscheid bij een vorige werkgever. Mannen van in de vijftig, elkaar weer gevonden via de moderne media, besloten samen "een vissie" te gaan eten. Een ronde man met een bonkig voorkomen in een opvallende gekleurde trui. Rechtuit communicerend en kennis van cijfers, reeksen en grafieken. "Ik zit ergens mee en wil het van me af hebben", we kwamen to the point en bestelden een glas witte wijn. Mannen van de wereld. Hij keek getergd en boos toen hij uitlegde waar hij mee zat, zijn vriendelijke kraaienpootjes acteerden mee. "Ik stem rechts maar ik denk links", vervolgde hij. "ik erger me rot aan de overheid die, wanneer het over de AWBZ gaat, alleen maar aan de kosten denkt en niet aan de baten". Een gevoelsbegroting. "Zij lijken wel onbewust onbekwaam, jarenlange wijzigingen, kortingen, registraties, efficiëntieslagen, pakketmaatregelen en ga zo maar door, het moet stoppen". Een slok, een onnodige aanmoedigingsknik. "Het helpt geen zier, denk ik, we zijn te laat maar toch moet ik het kwijt en wil er over publiceren". Ik haakte gretig in en bood hulp bij het uitwerken van zijn boodschap.

Een blik naar buiten. Daar boog een bewoner van één van onze beschermde woonvormen, zich over zijn bord. Voor hem een glas wijn en naast hem een vrouw. Het is een mooi toeval hem hier te zien, in de haven, weg uit het beschermende klooster. Hij is een uitzondering, er is iemand die zich om hem bekommert. "Weet je, ik heb even geen werk maar ik vermaak me prima. Ik doe onderzoek voor de publicatie, spreek mensen en verdien er geen cent mee. Het is belangeloos maar niet onbelangrijk", vervolgde mijn vroegere collega na een toiletbezoek en dronk, als een aangemeerde visser, zijn dubbele espresso zonder aarzeling in twee slokken op. Op de terugweg maakte we afspraken. Bij het uitstappen een hartelijke hand. In de gangen van het voormalige klooster voelde de stilte al lang niet meer als crisis. Eenzaamheid hoopt zich op tegen de muren. Flarden van verwerking. Voor hoop is het nooit te laat. Als makkers binden we de strijd aan. Wat een mooie dag!


“Met mij”

De telefoon. In het venster zag ik wie mij belde, mijn moeder. "Hoi Ma, alles goed"? Vroeg ik voorzichtig sinds ze een tijd geleden van de fiets was gekukeld. "Ja met ma, er is hier iemand en die is dakloos. Mijn buurman zag ik hem in de tuin (het volkstuintjescomplex) rondscharrelen". "Die stakker weet niet waar hij heen moet en zijn voeten zijn helemaal kapot, hij kan toch bij de Kessler terecht"? Dat is mijn moeder, woonachtig in Rijswijk, bijna tachtig en direct to the point. Uuuh, probeerde ik nog maar bedacht dat ik onmogelijk een genuanceerd en afgewogen antwoord kon geven. Ook een directeur is een kind van zijn moeder. "Ja hoor, als hij wil kan hij naar de crisisafdeling komen in de Zamenhofstraat". De buurman op de achtergrond hoorde ik herhalen "Ramenhoofdstraat". In de herkansing en na drie keer was de naam opgeschreven. "De buurman gaat die arme sloeber wel even brengen, het is in Den Haag hè buurman"! In de buurt van het Westeinde Ziekenhuis (dat heet inmiddels ook anders maar ik zag problemen bij Medisch Centrum Haaglanden), riep ik nog terwijl mijn moeder bezig was de hoorn van haar oor af te bewegen.

Tuut, tuut, tuut. Dit alles duurde nog geen 45 seconden. Op weg naar huis, radio 1, het Malieveld rechts. Mijn gedachten dwaalden. Zou de buurman het gevonden hebben en gezegd hebben bij binnenkomst "op last van de directeur en zijn moeder kom ik deze sloeber brengen". Ik hou mijn hart vast.