Medewerkers

Zoiets moois

Twee vrouwen, tegen de vijftig, stonden voorovergebogen naast een kleine grijze oude dame die naar een foto wees. De foto stond te wachten in zijn lijstje om opgehangen te worden in de kantine. "Kijk daar is papa" zei ze en wees een man aan die aan een lange gedekte tafel zat. "Het was het Kerstdiner in 1962." Twee dochters en hun moeder bezochten me nadat een van hen me had gemaild geboren te zijn bij de Kessler. Een uitnodiging volgde. "Mijn man en ik woonden in de directeurswoning in het gebouw, hij was adjunct-directeur van het verhuisbedrijf." Ik bood koffie aan en leidde hen rond in het gebouw. Bij een foto van een slaapzaaltje met kinderbedjes stopte een van de dochters. Ze pakte een foto uit haar tas en zei "kijk dit zijn wij, we spelen hier met dezelfde pop. Op zolder speelden we ook vaak." vervolgde ze enthousiast. Hun herinneringen kwamen weer boven: de ruimtes, de tijd, de mannen en vrouwen die er destijds woonden. Weer beneden aangekomen praatten we nog wat na."Toen mijn dochter geboren werd", ze wees naar een van de vrouwen, "kwam mijn man naar me toe. Hij vroeg of ik het goed was of een van de bewoners de baby kon bekijken." Met vlammende ogen keek de tachtigjarige vrouw me aan. "Natuurlijk mocht dat. De man kwam en vroeg of hij haar mocht vasthouden. Hij had nog nooit een kindje vastgehouden in zijn leven.Toen hij haar vast hield, heeft hij haar een half uur lang vastgehouden en zwijgend naar haar gekeken. Zoiets moois had hij nog nooit meegemaakt." De vrouw draaide weg. "Het emotioneert me, vijftig jaar later nog." Ze pakte een zakdoek en droogde haar tranen. "Zoiets moois had hij nog nooit meegemaakt" herhaalde ze.

Niet te netjes anders blijven ze..

Jaren geleden sprak ik een medewerker. Slechts enkele maanden werkte ik in de wereld van de maatschappelijke opvang. Mijn trap der verbazing bleek wekelijks nieuwe treden te hebben. De instelling, de mensen die er werkten, woonden, langskwamen, de mensen waarmee we samenwerkten, het leek steeds meer op de achterkant van - een met veel huisvlijt in elkaar gezette - borduurlap vol met symbolen, letters en merktekens. Een raadselachtige wereld in het schemerlicht. Dit keer sprak ik me verbazing uit over de kwaliteit van de inrichting van de voorziening waar zij werkte. Het waren geen beste tijden maar om nu cliënten te laten slapen op – haastige op maat gesneden – schuimrubberen blokken en te laten zitten in met rook vernevelde slecht verlichte ruimtes waarin kapotgesneden plastik bankstellen om voorrang vochten om te worden besprongen en met sigarettenpeuken te worden getatoeëerd, ging mij toch wel aan het hart. Handdoeken waren krijgertjes of meegenomen door medewerkers, lakens kapot en vuil en men at van plastik borden. Ruimte om even rustig te praten was er nauwelijks; de straat was ook binnen.

Nadat ze me aangehoord nam ze een teug van haar filtersigaret, zoog verse lucht langs de brandende tabak haar longen in, blies de rook de ruimte in en antwoordde zelfverzekerd: "nou, het moet natuurlijk niet te mooi worden, anders willen ze niet meer weg." En weer voelde ik een nieuwe trede onder mijn voeten zich aandienen. Haar woorden werden - met de stelligheid van Luther - op een hersendeur vast gespijkerd. Later, toen we wat meer investeerden in het woon- en leefklimaat, lachte ze me wel eens toe wanneer er weer eens wat kapot was gemaakt. Ze lachte haar gelijk en eerlijk is eerlijk, een glimlach kan betoverend werken.

Maar zoals het gaat met betoveringen, niet voor lang.