Etenen drinken

Dat kan ik zelf wel, ik ben niet gek

Als jonge jongen leerde ik het vak van verzorgende. Het speelde zich af in de jaren’70 in een voormalig sanatorium dat dienst deed als verpleeghuis. Naast mensen verzorgen leerde ik  werken met verpleeghulpen, ziekenverzorgenden, verpleegkundigen, de waarnemend hoofdzuster, de hoofdzuster en de dokter. Als leerling stond je onderaan in de hiërarchie en werd je bijgestaan door een praktijkbegeleidster, die je vorderingen keurig bijhield in een aftekenboekje. In de kantine stond een tafel waar alleen de artsen en de hoofdzusters aan mochten zitten en de eerste koffie dronk je staande in het keukentje. Soms moesten de meisjes hun nagels laten inspecteren door de hoofdzuster. Zelf leerde ik dat een lepeltje 'in het verlengde van oortje van het kopje' op het schoteltje hoorde. 

Er waren ook mensen die verzorgd werden. In een van de lange gangen zat steevast een oude, kleine, gedrongen vrouw. Zij was vanaf geboorte gehandicapt en woonde al jaren in het verpleeghuis. Geesje werd bij haar voornaam genoemd, een doodzonde in die tijd. Geesje nam zo vroeg als ze kon haar strategische plek in: een hoek op een kruispunt van twee gangen. Ze begroette iedereen met haar enigszins vervormde stem. Met haar te korte been, de zware hooggehakte schoen vooruit stekend, was ze een herkenbaar baken in de tl-verlichte en weeïg ruikende  gangen. Geesje was in veel dingen beperkt, behalve in haar vaardigheid om zelf te bepalen wat ze wilde. Ze gruwelde van handwerken en andere activiteiten die werden georganiseerd. Ze noemde haar medepatiënten gekke oude mensen of tikte veelzeggend tegen haar voorhoofd. Het lepeltje had bij haar overigens geen functie, ze dronk uit een plastic beker met een tuitje. 

Vandaag de dag word ik in ons hoofdgebouw begroet door een kale man die in de hal zit. Laat ik hem Lou noemen. Hij wordt verzorgd op de verpleegafdeling, is stokdoof en kiest net als Geesje destijds, zijn positie. Lopen kan hij nog net; zwaar hinkend loopt hij naar zijn plek en soms even naar buiten.  Hij compenseert zijn doofheid door hard en monotoon zijn levenswijsheden met iedereen te delen. Hij heeft zo zijn eigen tegeltjeswijsheden. Voor mij bewaart hij: ‘Jij bent knapper dan je broer.’  Wat op zich niet waar is, maar aangezien hij denkt dat een collega mijn broer is heeft hij een punt. Hulp bij het lopen weigert hij: ‘Dat kan ik zelf wel.’ Vandaag zag ik hem met een witte tas, te koud gekleed, naar buiten hinkelen. ‘Ga boodschappen doen, ben niet gek hoor en als ik terug kom maak ik een mooie foto van je.’

Er lijkt veel veranderd. De hoofdzuster is weg en aftekenboekjes bestaan niet meer. De vakmensen zijn nu echt zelf aan zet en vervullen meerdere rollen. Impliciete regels van destijds zijn nu te vinden op de computer. De gangen hebben meer kleur, medicijnen zitten in zakjes en tillen gaat met een tillift. Ik denk niet dat er nog iemand is die aan de juiste positionering van lepeltjes denkt; dat is wel een gemis. Stiekem doe ik het nog wel eens en geniet ik van zo'n klein monument. 

“Iedereen in zijn eigen kracht zetten” is nu het leidmotief. Geen nieuws voor Geesje en Lou. 

 
Een variant van deze column verschijnt in Tranz november 2015


Echt bier

Onrust op de gang. De gebogen wat stille man voor me, schuifelt zijn traject door de gangen en lijkt niet aangesloten bij het geroezemoes dat de lange grijze gang heeft bereikt. Zorgvuldig plaatst hij zijn voeten op het versleten mintgroene linoleum, handen stram naast zijn lichaam, het bewegen moe. Gestoken in een wijd bruin kostuum passeert hij, schier onbewogen, de gang naar de kapel. Warme kreten - gevat in de blauwgrijze rook van sigaretten – komen me tegemoet. Uit de schaduw van mijn voorganger loop ik op het geluid af. Een kapel vol met mannen staren naar de blinde muur. Op een groot scherm wordt een voetbalwedstrijd geprojecteerd. Het is zomer 2008 en in een voormalige kloosterkapel zitten tientallen mannen, stijf van het buitenleven, met een sigaret tussen de vingers geklemd, “onze jongens” aan te moedigen. De kapel, al lang niet meer het visitekaartje van onze lieve Heer, kreunt onder oranje slingers en steekt met haar goudkleurige bogen schril af tegen haar bezoekers. De aanvalskreten kaatsen tegen de wanden die – en daar ben ik zeker van – op deze momenten terugverlangen naar de stilteretraites van de nonnen. Zwijgen is immers goud en dat is iets waar “onze jongens” zo hun eigen variant op hebben bedacht. Op zulk soort momenten is het geoorloofd met elkaar te verkeren en de eigen sores even opzij te zetten. Doorgaans wordt er bij zulke gebeurtenissen rijkelijk bier gedronken. Dat is voor een aantal van de supporters in een ver verleden wel eens mis gegaan. Geen nood, we zijn een goede afnemer van een alcoholarm evenementenbiertje, dat onder begeleiding geen kwaad kan.

“Hé directeur, ook een biertje?” roept de grootste feestneus me toe. “Nee dank je, ik moet na nog nadenken vandaag” probeer ik nog, wetende dat ik me met dit soort antwoorden niet staande zou houden in deze oranje orgie. “Nou dat hebben we liever niet, dus neem er nou maar één of drink jij echt bier”?

(column in Haags Straatnieuws april 2011)


Bijzonder dichtbij

Een week van twee berichten. Een overlijdensbericht in mijn mailbox: H. was overleden en de datum van zijn begrafenis werd rondgestuurd aan mogelijke belangstellenden. Ik kende de man, niet goed, maar ik kende hem wel. We spraken wel eens alweer een aantal jaren geleden, vooral over hoe de dingen beter moesten. Beter bij ons wel te verstaan. Over zichzelf liet hij zich niet zo uit. Afhankelijk van zijn gemoedstoestand trof ik hem als de getroffene, de gekwetste, de boze of de vriendelijke en radeloze man aan. Hij is uiteindelijk vertrokken.

Het bericht valt op tussen al die andere berichten en zorgt dat er andere overleden cliënten bij me in gedachten opkomen. Met een kop koffie naast me pruts ik wat aan een paperclip en zie ze voor me en denk aan de manier waarop ze zijn gestorven. Vaak zoals we ze hebben leren kennen, alleen.

De post ligt voor me op tafel en leidt me af. Mijn handgeschreven naam en adres sieren een witte enveloppe. Op de tafel tussen de kranten en andere post valt hij op. Ik maak hem als eerste open en verwacht een sollicitatie, een klacht of een aanbieding van een gulle gever die ons wil verblijden met een onverwachte verrassing. Dat laatste wil nog wel eens uitlopen op een teleurstelling. Er zijn gekkere dingen gebeurd de afgelopen jaren. Op de brief valt direct het zelfgemaakte beeldmerk op, het is het kenmerk van iemand die ik heb leren kennen tijdens zijn verblijf bij ons maar ook wel eens ontmoette als hij er niet was en op straat of bij 'de buren' was. Een man met een missie en de behoefte die uit te dragen. Licht polemisch en uitputtend gedocumenteerd, trok hij vaak ten strijde. Hij dook altijd wel weer een keer ergens op. De laatste keer aten we een broodje en wenste we elkaar na een 'goed verhaal' het allerbeste.

In één getypt velletje maakt hij nu duidelijk dat het hem goed gaat en dat hij samen met een vrouw, met een wonderschone naam, aan de vooravond staat van een fantastische Kerst. In hun eigen woning wel te verstaan. Hij wenst me een gelukkig Nieuwjaar. Een prachtige wens die alle glossy en met veel huisvlijt in elkaar geknutselde kaarten, die in tientallen tegelijk binnenkomen deze dagen, in één klap afwaarderen. De ironie is dat hij en de overleden man elkaar kenden. Ik heb ooit samen met ze en anderen aan tafel gezeten om de warme maaltijden – waarover veel klachten waren – te proeven en zelf te ervaren dat ze groot gelijk hadden. In veel opzichten een hilarische winteravond. Pret, verdriet en gedeelde verontwaardiging gingen hand in hand. Een Kerstdiner met bijzondere mensen, dat gun ik iedereen.


Belangeloos is niet onbelangrijk

De prille voorjaarszon prikt via het spiegelende water door het raam van het visrestaurant. Tussen de bleke mensenhoofden van het terras, het zicht op de klapperende touwen aan de masten. Wit/grijze meeuwen dansen - ogenschijnlijk ongeïnteresseerd - in de wind, klaar om toe te slaan. In de stilte van het restaurant is de crisis voelbaar. De borden staan dampend op tafel. Mijn tafelgenoot begint met een zekere hand "het vissie" te fileren. "Hoe is het met je Bram"? Het antwoord rolde als klaterend water over mijn lippen, op tafel en verdampte. Zijn verhaal volgde. We kennen elkaar nauwelijks op een paar cruciale momenten na. Dat was de kennismaking en het afscheid bij een vorige werkgever. Mannen van in de vijftig, elkaar weer gevonden via de moderne media, besloten samen "een vissie" te gaan eten. Een ronde man met een bonkig voorkomen in een opvallende gekleurde trui. Rechtuit communicerend en kennis van cijfers, reeksen en grafieken. "Ik zit ergens mee en wil het van me af hebben", we kwamen to the point en bestelden een glas witte wijn. Mannen van de wereld. Hij keek getergd en boos toen hij uitlegde waar hij mee zat, zijn vriendelijke kraaienpootjes acteerden mee. "Ik stem rechts maar ik denk links", vervolgde hij. "ik erger me rot aan de overheid die, wanneer het over de AWBZ gaat, alleen maar aan de kosten denkt en niet aan de baten". Een gevoelsbegroting. "Zij lijken wel onbewust onbekwaam, jarenlange wijzigingen, kortingen, registraties, efficiëntieslagen, pakketmaatregelen en ga zo maar door, het moet stoppen". Een slok, een onnodige aanmoedigingsknik. "Het helpt geen zier, denk ik, we zijn te laat maar toch moet ik het kwijt en wil er over publiceren". Ik haakte gretig in en bood hulp bij het uitwerken van zijn boodschap.

Een blik naar buiten. Daar boog een bewoner van één van onze beschermde woonvormen, zich over zijn bord. Voor hem een glas wijn en naast hem een vrouw. Het is een mooi toeval hem hier te zien, in de haven, weg uit het beschermende klooster. Hij is een uitzondering, er is iemand die zich om hem bekommert. "Weet je, ik heb even geen werk maar ik vermaak me prima. Ik doe onderzoek voor de publicatie, spreek mensen en verdien er geen cent mee. Het is belangeloos maar niet onbelangrijk", vervolgde mijn vroegere collega na een toiletbezoek en dronk, als een aangemeerde visser, zijn dubbele espresso zonder aarzeling in twee slokken op. Op de terugweg maakte we afspraken. Bij het uitstappen een hartelijke hand. In de gangen van het voormalige klooster voelde de stilte al lang niet meer als crisis. Eenzaamheid hoopt zich op tegen de muren. Flarden van verwerking. Voor hoop is het nooit te laat. Als makkers binden we de strijd aan. Wat een mooie dag!