Dagelijkse zaken

Dat kan ik zelf wel, ik ben niet gek

Als jonge jongen leerde ik het vak van verzorgende. Het speelde zich af in de jaren’70 in een voormalig sanatorium dat dienst deed als verpleeghuis. Naast mensen verzorgen leerde ik  werken met verpleeghulpen, ziekenverzorgenden, verpleegkundigen, de waarnemend hoofdzuster, de hoofdzuster en de dokter. Als leerling stond je onderaan in de hiërarchie en werd je bijgestaan door een praktijkbegeleidster, die je vorderingen keurig bijhield in een aftekenboekje. In de kantine stond een tafel waar alleen de artsen en de hoofdzusters aan mochten zitten en de eerste koffie dronk je staande in het keukentje. Soms moesten de meisjes hun nagels laten inspecteren door de hoofdzuster. Zelf leerde ik dat een lepeltje 'in het verlengde van oortje van het kopje' op het schoteltje hoorde. 

Er waren ook mensen die verzorgd werden. In een van de lange gangen zat steevast een oude, kleine, gedrongen vrouw. Zij was vanaf geboorte gehandicapt en woonde al jaren in het verpleeghuis. Geesje werd bij haar voornaam genoemd, een doodzonde in die tijd. Geesje nam zo vroeg als ze kon haar strategische plek in: een hoek op een kruispunt van twee gangen. Ze begroette iedereen met haar enigszins vervormde stem. Met haar te korte been, de zware hooggehakte schoen vooruit stekend, was ze een herkenbaar baken in de tl-verlichte en weeïg ruikende  gangen. Geesje was in veel dingen beperkt, behalve in haar vaardigheid om zelf te bepalen wat ze wilde. Ze gruwelde van handwerken en andere activiteiten die werden georganiseerd. Ze noemde haar medepatiënten gekke oude mensen of tikte veelzeggend tegen haar voorhoofd. Het lepeltje had bij haar overigens geen functie, ze dronk uit een plastic beker met een tuitje. 

Vandaag de dag word ik in ons hoofdgebouw begroet door een kale man die in de hal zit. Laat ik hem Lou noemen. Hij wordt verzorgd op de verpleegafdeling, is stokdoof en kiest net als Geesje destijds, zijn positie. Lopen kan hij nog net; zwaar hinkend loopt hij naar zijn plek en soms even naar buiten.  Hij compenseert zijn doofheid door hard en monotoon zijn levenswijsheden met iedereen te delen. Hij heeft zo zijn eigen tegeltjeswijsheden. Voor mij bewaart hij: ‘Jij bent knapper dan je broer.’  Wat op zich niet waar is, maar aangezien hij denkt dat een collega mijn broer is heeft hij een punt. Hulp bij het lopen weigert hij: ‘Dat kan ik zelf wel.’ Vandaag zag ik hem met een witte tas, te koud gekleed, naar buiten hinkelen. ‘Ga boodschappen doen, ben niet gek hoor en als ik terug kom maak ik een mooie foto van je.’

Er lijkt veel veranderd. De hoofdzuster is weg en aftekenboekjes bestaan niet meer. De vakmensen zijn nu echt zelf aan zet en vervullen meerdere rollen. Impliciete regels van destijds zijn nu te vinden op de computer. De gangen hebben meer kleur, medicijnen zitten in zakjes en tillen gaat met een tillift. Ik denk niet dat er nog iemand is die aan de juiste positionering van lepeltjes denkt; dat is wel een gemis. Stiekem doe ik het nog wel eens en geniet ik van zo'n klein monument. 

“Iedereen in zijn eigen kracht zetten” is nu het leidmotief. Geen nieuws voor Geesje en Lou. 

 
Een variant van deze column verschijnt in Tranz november 2015


Sport in beeld

Ik kan me niet herinneren dat ik mijn vader of mijn moeder hard heb zien lopen. Sterker nog, ik weet ook niet wanneer ik zelf ergens harder voor ben gaan lopen. Wij waren thuis niet zo van bewegen. Maar we keken er wel veel naar. De “karikikas”, zoals mijn vader de televisie noemde, stond vaak afgestemd op sport. Sport in beeld.  Voorovergebogen zat hij in zijn witte overhemd, de sigaret op de lip, te genieten van anderen die zich in het zweet werkten. Hoewel hij enige voorkeur had voor schaatsen, voetbal en wielrennen, keek hij naar elke sport. Hij leerde zelf pas op latere leeftijd fietsen, en zwemles had hij nooit gehad.

Zo groeide ik op in een passieve sportieve omgeving. En hoewel mijn broer, zus en ik echt wel geprobeerd hebben te sporten, is het nooit iets geworden. We doen niets meer, althans niets dat de moeite waard is om over op te scheppen. Eerst was er nog afgunst, ijdele hoop en goede voornemens. Langzaam zijn die omgebogen van gelatenheid naar ergernis.

Zo is er weinig klein leed dat me zo kan raken als sporten in het openbaar. Mannen die – de buik naar voren dragend – met geschoren benen in een te klein wielrenpak door het landschap toeren. Vrouwen die met rode hoofden, lurkend als een kind aan een zuigflesje, door park en stad ploeteren. Waarom moeten we alles zien? Doe dat achter gesloten deuren en niet achter manshoge ramen in een willekeurig winkelcentrum. Sport uit beeld, wat mij betreft.

Mijn jonge vader werd oud en ziek. Roken deed hij niet meer.  Naar sport kijken nog wel. Soms keken we samen en leverden we commentaar op de prestaties.  Daar hadden we, al die jaren, wel recht op. Ervaren kijkers die naast elkaar op de bank afscheid van elkaar namen. ‘Die ziekte heeft me te pakken, maar ik ga elke dag beneden in de flat de krant halen’, vertelde hij monter. ‘Zo lang ik kan lopen, leef ik nog.’ Dat bleek te kloppen; de krant bleef liggen en hij stierf.  Mijn vader komt vaak langs in mijn leven; zeker wanneer ik naar sport kijk. Heerlijk samen met hem, anderen zien bewegen. 

Gepubliceerd in Tranz maart 2015


Dat is goed om te horen

De bruine bakstenen muur met de grijze rechthoekige voegen is het uitzicht van haar kamer naar de gang. Een plaatje van een vaas met bloemen zit gevangen achter spiegelend glas in een witte lijst. Ze wacht op mij, met haar gegipste been echt vooruit op een steun van de rolstoel. Mijn moeder. ‘Gelukkig mag ik naar huis’, zegt ze, nadat ik haar heb begroet. ‘Het was thuis met dat been niet gelukt, maar ik wil echt graag naar huis, begrijp je? Zo leuk is het hier nu ook weer niet en dat beetje fysiotherapie stelt immers niet veel voor. Ik ben daar geloof ik niet meer voor verzekerd.’

We drinken een laatste kop koffie, schudden handen en laten de afdeling Kort verblijf in het voormalige verzorgingshuis achter ons. Met de gehuurde rolstoel en de destijds aangeschafte rollator van pa achterin de auto. De “hulp”, zoals mijn moeder de huishoudelijke ondersteuning consequent noemt, gaat spoedig starten. De buren brengen bloemen. Brieven en brochures van het CAK, het CIZ en de zorgorganisatie liggen opgestapeld te wachten.

Regelmatig doet mijn moeder verslag over gesprekken die ze voert met de gemeente over de inzet van de huishoudelijke hulp, de zorgorganisatie over de verzorging en de praktijk voor fysiotherapie over hoe te oefenen en vooral ook waar? Elke zondag praat ze me bij over haar belevenissen op dit vlak. Steeds vaker overhandigt ze me een stapel post. “Wil jij die rekeningen betalen met de computer? En weet jij waarom die gemeente wil weten hoeveel kinderen ik heb en waar ze wonen? Wat is dat voor flauwekul, ik begrijp het niet, ik heb nog nooit wat gevraagd aan ze.’

 Mijn moeder, een krasse en zelfstandige dame van 83 jaar, heeft in drie maanden contact gehad met een kliniek voor orthopedie, twee ziekenhuizen, de huisartsenpraktijk, het laboratorium, de apotheek, de fysiotherapie, de afdeling Kort verblijf, de thuiszorgwinkel, een internetwinkel voor speciale schoenen, het WMO loket, het CAK en diverse specialisten. Blijf dan maar eens rustig.

Een nieuwe heup en een herstelde beenbreuk verder loopt ze, weliswaar met de rollator van pa, zelfstandig en is ze thuis. Bij het schoonhouden van haar woning wordt ze geholpen. ‘Je weet, mijn huisje is mijn alles maar het moet wel schoon zijn. Ik heb nu een frisse leuke meid. Ze heeft gezegd dat ze bij me mag blijven, daar ben ik zo blij mee.’ Ik leg mijn hand even op de hare, sta op en pak de post.

‘Dat is goed om te horen ma. Dat is echt goed om te horen.’ 


De lift

Grommend laat een man in een scootmobiel zijn ergernis blijken als de lift niet snel genoeg naar beneden komt. Zijn vrolijke ronde gezicht met volle witte baard contrasteert met zijn blote onderbeen dat schuin naar rechts uitsteekt; de helft van zijn voet ontbreekt. Evenals een schoen of sok. "Gaat u gang", zei ik, een overdreven hoffelijke buiging makend. De man manoeuvreert behoedzaam de lift in en ziet zichzelf in de spiegel die de achterwand beslaat. De deuren sluiten de zo kenmerkende liftstilte in. Bij de eerste verdieping steekt de man behoedzaam zijn karretje achteruit. De geamputeerde voet schamp de deur en blijft in mijn gedachten steken. De lift kiest zijn eigen weg en gaat weer naar beneden.

De begane grond. De deur gaat open en een jonge vrouw stapt haastig in, en drukt op een knopje. Op haar handen houdt ze voor zich uit een - in plastic zak ingepakte - taartdoos. "Zo, wat te vieren" doorbreek ik de stilte. Ze kijkt me aan, haar donkere ogen beoordelen me razendsnel. "Ja ik heb een huis en dat wil ik vieren" zegt ze met een hese, donkere stem. "Goh, dat is fijn zeg, heb je er lang op moeten wachten?" En dan gebeurt het. Ze strekt haar lichaam, schudt haar haren uit haar gezicht weg kijkt me eerst in de ogen en dan naar het plastic pakje dat ze voorzichtig op haar handen draagt en zegt "Nou het duurde wel lang maar ik korter dan ik me had voorgenomen te werken aan de ellende waarin ik terecht gekomen was. Ik gaf mezelf een jaar om het goed te regelen en die shit op te lossen. Nu heb ik dan eindelijk weer een plek voor mezelf." Het signaal van de lift kondigt het bereiken van de etage aan, ze stapt bijna in draf uit, alsof ze bevrijd is van het beest dat haar jarenlang beheerste.

Een lange slungelige jongen wisselde met haar van plek, zijn getatoeëerde nek stak onder zijn te grote ADO shirt uit. "Zo, ga je op stap? dan zal je eerst me mij naar de vierde moeten." "Maakt niets uit hoor, ik heb de tijd" zei hij vriendelijk en terwijl ik me omdraaide om hem gedag te zeggen bij het uitstappen zag ik hem voor de spiegel staan, onhandig zijn shirt rechttrekkend. Op de rug een nummer, een nummer van zijn held. Mijn dag is begonnen. 


Zoiets moois

Twee vrouwen, tegen de vijftig, stonden voorovergebogen naast een kleine grijze oude dame die naar een foto wees. De foto stond te wachten in zijn lijstje om opgehangen te worden in de kantine. "Kijk daar is papa" zei ze en wees een man aan die aan een lange gedekte tafel zat. "Het was het Kerstdiner in 1962." Twee dochters en hun moeder bezochten me nadat een van hen me had gemaild geboren te zijn bij de Kessler. Een uitnodiging volgde. "Mijn man en ik woonden in de directeurswoning in het gebouw, hij was adjunct-directeur van het verhuisbedrijf." Ik bood koffie aan en leidde hen rond in het gebouw. Bij een foto van een slaapzaaltje met kinderbedjes stopte een van de dochters. Ze pakte een foto uit haar tas en zei "kijk dit zijn wij, we spelen hier met dezelfde pop. Op zolder speelden we ook vaak." vervolgde ze enthousiast. Hun herinneringen kwamen weer boven: de ruimtes, de tijd, de mannen en vrouwen die er destijds woonden. Weer beneden aangekomen praatten we nog wat na."Toen mijn dochter geboren werd", ze wees naar een van de vrouwen, "kwam mijn man naar me toe. Hij vroeg of ik het goed was of een van de bewoners de baby kon bekijken." Met vlammende ogen keek de tachtigjarige vrouw me aan. "Natuurlijk mocht dat. De man kwam en vroeg of hij haar mocht vasthouden. Hij had nog nooit een kindje vastgehouden in zijn leven.Toen hij haar vast hield, heeft hij haar een half uur lang vastgehouden en zwijgend naar haar gekeken. Zoiets moois had hij nog nooit meegemaakt." De vrouw draaide weg. "Het emotioneert me, vijftig jaar later nog." Ze pakte een zakdoek en droogde haar tranen. "Zoiets moois had hij nog nooit meegemaakt" herhaalde ze.

De Smulhut

Midden in een woonwijk is een gebouw neergezet. Winkels vinden er hun onderdak en delen met elkaar een overdekte ruimte en buiten een parkeerplaats waar wekelijks een kaasboer te vinden is in zijn witgrijze aanhangwagen. Een bloemenzaak, een drogist, een chinees (alleen afhaal) een 'van alles wat winkel', pizzeria en een supermarkt. Het is van een diepe treurigheid. Achter het gebouw staat nog een snackbar – 'De Smulhut"- pal naast het gezondheidscentrum, hetgeen het beeld alleen nog maar indringender maakt. Het - met een armetierig hegje - omheind parkeerterrein verbindt dit alles aan elkaar. Alles is verzonnen en gebouwd ergens eind jaren negentig. Je kan het zien aan de bomen; ze buigen nog in de wind. Honderden mensen persen zich dagelijks door de groene schuifdeuren om karren vol te stoppen, hun kinderen mee te sleuren langs verleidelijke schreeuwende aanbiedingen of om hun verzameling zelfmedicatie van dr. Vogel te verrijken met een nieuwe belofte van het eeuwige leven. Een enkeling koopt een Azalea of chrysanten.

Rechts achter de deuren staat een vrouw (soms zit op een krukje). Ze houdt straatkranten tegen haar borst en kijkt voor zich uit. Ze kijkt maar het is net of ze ons niet ziet; hetgeen overeenkomt met hoe de meeste mensen haar zien. De blikken gaan langs haar en zoeken een ander ijkpunt. Het is alsof ze plotseling in een vreemde omgeving is neergezet. Ze spreekt onze taal niet waardoor het geroezemoes haar niet tot een vredige rust brengt; in tegendeel. De markt waar pratende mannen en vrouwen tussen de geurende kraampjes lopen en onderhandelen over de prijs en kwaliteit, is hier vervangen door in plastic verpakte groenten, vlees, vruchten en duizenden andere producten in een foeilelijk gebouw met tl verlichting waar de communicatie voornamelijk bestaat uit het piepen van de streepjescodes. Alles is voorzien van een houdbaarheidsdatum en keurig gerangschikt op thema, prijs of temperatuur. Als een achteloos neergezet kunstwerk, staat ze te midden van winkelend publiek. Een Madonna met straatkranten op haar arm. Paarlen voor de zwijnen. Hoewel een enkeling een kopje koffie komt brengen.

Wanneer iemand uit de nevelen stapt en aangeeft een straatkrant te willen kopen, lacht ze zachtjes zoals een oma naar haar kleinkind, geeft de krant en houdt haar hand op. De mouw van het jasje valt terug en laat op haar bleke onderarm vervaalde tatoeages zien. Ze zijn in een kleur aangebracht, een kleur die zich ophoudt tussen grijsblauw en staalzwart. Ze omklemt het geld en stopt het weg in een van haar zakken. Ze pakt een nieuwe krant en neemt haar pose weer in. Dat gaat misschien 20 keer op een dag zo en als ze dat vijf dagen per week volhoudt zal ze er € 65,-- aan over houden. Ze zal haar verdiende geld niet uitgeven in De Smulhut denk ik of de blozende kaasboer uit Stolkwijk vragen om een plat stukje voor bij de buis.

Ze drinkt druppels van onze overvloedige bronnen; er is geen reden daarin te spugen.


Zilverlicht

Rusteloos loopt hij, met snelle tred, door de gangen, zijn hoofd licht gebogen. Zijn vette, sliertige haren, hangen dun over zijn hoofd. Heel af en toe veegt hij ze naar achteren. Met zijn ene hand, in de andere een shagje. Een magere man, die zijn broek opvallend hoog heeft opgetrokken en met een strakke riem om zijn taille heeft vastgezet. Contact heeft hij niet, zijn ogen kijken naar binnen. Daar is het druk. Zo druk dat hij af en toe even stopt om antwoord te geven op de vragen die zijn stemmen hem stellen. Vreemd dat hij zo bezig is en ik in stilte naar hem blijf kijken wanneer hij halverwege de trap plotseling stilstaat en staat te prevelen. Zijn hoofd schuin, zijn rechtervoet op de ene trede en zijn linker twijfelachtig op de trede er onder. Hij lijkt toestemming te vragen om door te mogen lopen. Na een minuut, zegt hij oké en loopt door. Hij passeert me rechts en is eerder boven dan ik.  ’s Middags tref ik hem bij het koffieapparaat. Terwijl hij drie zakjes suiker leegt in het bekertje en hardop aan het praten is, groet ik hem. “Hallo hoe is het met u?” Hij maakt zijn verhaal af, draait zijn hoofd om en zegt “prima hoor” en loopt al roerend in zijn bekertje weer in zichzelf pratend de gang op. Gewend dat zijn verhalen voor ons onhoorbaar zijn. 

Op weg naar huis maak ik nog even een praatje met een andere bewoner. “Ik heb veel broers en zussen en ook twee kinderen maar ik zie ze nooit meer, ook de  kleinkinderen niet. En dat is jammer hoor want mijn dochter heeft erg mooi haar, er straalt zilverlicht van af. Ik heb gelukkig wel een foto van toen ze klein was.” Zijn tong blijft rusteloos heen en weer bewegen in zijn mond. Zijn woorden zijn op. De mijne ook.

(column in Haags Straatnieuws juni 2011)


Een grote witte zonnebril

Ooit liep ik 's ochtends vroeg met de prille zon in de rug, op goedkope gympies als kleine jongen achter mijn vader. Het ronkende dieselgeluid van een optrekkende bus 23 achter ons latend, richting het strand van Kijkduin. "We gaan vroeg jongen, dan hebben we een mooie plek" aldus mijn vader die zomer en winter een bronsgekleurde huid had. Het pad naar boven. Rechts van ons de duinen waar achter prikkeldraad het groengele helmgras de lucht in spriette. Mijn vader stak af tegen de koelblauwe ochtendlucht, zonder omkijken erop vertrouwend dat ik zou volgen, gidste hij me naar boven. Het keienpad naar beneden dat overging in - onder het zand liggende - planken. Door het koele, vochtige zand naar de witte huisjes; toilethokjes. Strandtenten waren er nauwelijks. Voor de huisjes zat een oude, stevige dame met gitzwart haar en een donkerbruine huid, in een stoel. Ze groette mijn vader, die bij haar een strandstoel huurde en tegelijk met haar een sigaret opstak. Ik vroeg me altijd af of zij een zigeunerin was hoewel ik niet precies wist wat dat eigenlijk betekende. Het zout op mijn lippen, het zand in mij haren en de gloeiend hete stenen waarop ik mijn gympen weer probeerde aan te krijgen zodra de aarde zich van de zon had afgewend en de bus die op ons wachtte. Zomers lang herhaalde dit zich, totdat alles veranderde.

Tweede Paasdag, prachtig zomers weer, loop ik het zelfde pad, voor mij mijn jongste dochter en mijn vrouw, omkijkend of ik de klim wel zou redden. Het duinpad naar boven is rechts geflankeerd door een hotel. Het hotelterras ligt als een vlonder in de duinen. Terwijl we afbuigen zie ik links de winkels, terrassen en een draaimolen met eromheen plastic knalgele stoeltjes. Een in wit gekleed jong stel, zonnebril op het voorhoofd, kauwgum kauwend, zet hun twee kindjes in de draaimolen, hangen in zo'n stoeltje en kijken verveeld langs elkaar, de jongen wipt met zijn witte sneakers nerveus heen en weer. Het meisje pingt met haar nepnagels het laatste nieuws op een witchromen telefoon. We lopen naar beneden, tegen de richting in komt een man ons tegemoet. Zijn opvallende witte zonnebril op zijn donkere hoofd valt direct op. Hij zwalkt naar boven en ontwijkt tegenliggers ternauwernood.

Vanaf een terrasstoel, met dampende thee voor me, kijk ik naar de plek waar de witte huisjes ooit stonden terwijl achter mij de loungemuziek klinkt en de eerste twintigers een fles rosé bestellen. Kinderen spelen, ouders waken en jongeren flaneren. Uit de zee slaan de groenbruine golven stuk op het strand. De man met de grote witte zonnebril, gitzwart haar en een donkerbruine huid, is teruggekeerd en loopt tussen de stoelen en tafels. Hij laveert tussen de mensen en kinderen door als een dronkenman. Telkens een botsing vermijdend. Aan het eind van het houten terraspad keert hij en loopt terug. Zijn hoofd fier vooruit, de duin op naar boven, op slippers. Met in zijn hand een eenzaam flesje water.

Mijn dochtertje speelt in het zand, kijkt op en tuurt hem na totdat hij achter de duin is verdwenen. Onderwijl glipt het zachte zand door haar vingers.


Echt bier

Onrust op de gang. De gebogen wat stille man voor me, schuifelt zijn traject door de gangen en lijkt niet aangesloten bij het geroezemoes dat de lange grijze gang heeft bereikt. Zorgvuldig plaatst hij zijn voeten op het versleten mintgroene linoleum, handen stram naast zijn lichaam, het bewegen moe. Gestoken in een wijd bruin kostuum passeert hij, schier onbewogen, de gang naar de kapel. Warme kreten - gevat in de blauwgrijze rook van sigaretten – komen me tegemoet. Uit de schaduw van mijn voorganger loop ik op het geluid af. Een kapel vol met mannen staren naar de blinde muur. Op een groot scherm wordt een voetbalwedstrijd geprojecteerd. Het is zomer 2008 en in een voormalige kloosterkapel zitten tientallen mannen, stijf van het buitenleven, met een sigaret tussen de vingers geklemd, “onze jongens” aan te moedigen. De kapel, al lang niet meer het visitekaartje van onze lieve Heer, kreunt onder oranje slingers en steekt met haar goudkleurige bogen schril af tegen haar bezoekers. De aanvalskreten kaatsen tegen de wanden die – en daar ben ik zeker van – op deze momenten terugverlangen naar de stilteretraites van de nonnen. Zwijgen is immers goud en dat is iets waar “onze jongens” zo hun eigen variant op hebben bedacht. Op zulk soort momenten is het geoorloofd met elkaar te verkeren en de eigen sores even opzij te zetten. Doorgaans wordt er bij zulke gebeurtenissen rijkelijk bier gedronken. Dat is voor een aantal van de supporters in een ver verleden wel eens mis gegaan. Geen nood, we zijn een goede afnemer van een alcoholarm evenementenbiertje, dat onder begeleiding geen kwaad kan.

“Hé directeur, ook een biertje?” roept de grootste feestneus me toe. “Nee dank je, ik moet na nog nadenken vandaag” probeer ik nog, wetende dat ik me met dit soort antwoorden niet staande zou houden in deze oranje orgie. “Nou dat hebben we liever niet, dus neem er nou maar één of drink jij echt bier”?

(column in Haags Straatnieuws april 2011)


Niet te netjes anders blijven ze..

Jaren geleden sprak ik een medewerker. Slechts enkele maanden werkte ik in de wereld van de maatschappelijke opvang. Mijn trap der verbazing bleek wekelijks nieuwe treden te hebben. De instelling, de mensen die er werkten, woonden, langskwamen, de mensen waarmee we samenwerkten, het leek steeds meer op de achterkant van - een met veel huisvlijt in elkaar gezette - borduurlap vol met symbolen, letters en merktekens. Een raadselachtige wereld in het schemerlicht. Dit keer sprak ik me verbazing uit over de kwaliteit van de inrichting van de voorziening waar zij werkte. Het waren geen beste tijden maar om nu cliënten te laten slapen op – haastige op maat gesneden – schuimrubberen blokken en te laten zitten in met rook vernevelde slecht verlichte ruimtes waarin kapotgesneden plastik bankstellen om voorrang vochten om te worden besprongen en met sigarettenpeuken te worden getatoeëerd, ging mij toch wel aan het hart. Handdoeken waren krijgertjes of meegenomen door medewerkers, lakens kapot en vuil en men at van plastik borden. Ruimte om even rustig te praten was er nauwelijks; de straat was ook binnen.

Nadat ze me aangehoord nam ze een teug van haar filtersigaret, zoog verse lucht langs de brandende tabak haar longen in, blies de rook de ruimte in en antwoordde zelfverzekerd: "nou, het moet natuurlijk niet te mooi worden, anders willen ze niet meer weg." En weer voelde ik een nieuwe trede onder mijn voeten zich aandienen. Haar woorden werden - met de stelligheid van Luther - op een hersendeur vast gespijkerd. Later, toen we wat meer investeerden in het woon- en leefklimaat, lachte ze me wel eens toe wanneer er weer eens wat kapot was gemaakt. Ze lachte haar gelijk en eerlijk is eerlijk, een glimlach kan betoverend werken.

Maar zoals het gaat met betoveringen, niet voor lang.

 


Bijzonder dichtbij

Een week van twee berichten. Een overlijdensbericht in mijn mailbox: H. was overleden en de datum van zijn begrafenis werd rondgestuurd aan mogelijke belangstellenden. Ik kende de man, niet goed, maar ik kende hem wel. We spraken wel eens alweer een aantal jaren geleden, vooral over hoe de dingen beter moesten. Beter bij ons wel te verstaan. Over zichzelf liet hij zich niet zo uit. Afhankelijk van zijn gemoedstoestand trof ik hem als de getroffene, de gekwetste, de boze of de vriendelijke en radeloze man aan. Hij is uiteindelijk vertrokken.

Het bericht valt op tussen al die andere berichten en zorgt dat er andere overleden cliënten bij me in gedachten opkomen. Met een kop koffie naast me pruts ik wat aan een paperclip en zie ze voor me en denk aan de manier waarop ze zijn gestorven. Vaak zoals we ze hebben leren kennen, alleen.

De post ligt voor me op tafel en leidt me af. Mijn handgeschreven naam en adres sieren een witte enveloppe. Op de tafel tussen de kranten en andere post valt hij op. Ik maak hem als eerste open en verwacht een sollicitatie, een klacht of een aanbieding van een gulle gever die ons wil verblijden met een onverwachte verrassing. Dat laatste wil nog wel eens uitlopen op een teleurstelling. Er zijn gekkere dingen gebeurd de afgelopen jaren. Op de brief valt direct het zelfgemaakte beeldmerk op, het is het kenmerk van iemand die ik heb leren kennen tijdens zijn verblijf bij ons maar ook wel eens ontmoette als hij er niet was en op straat of bij 'de buren' was. Een man met een missie en de behoefte die uit te dragen. Licht polemisch en uitputtend gedocumenteerd, trok hij vaak ten strijde. Hij dook altijd wel weer een keer ergens op. De laatste keer aten we een broodje en wenste we elkaar na een 'goed verhaal' het allerbeste.

In één getypt velletje maakt hij nu duidelijk dat het hem goed gaat en dat hij samen met een vrouw, met een wonderschone naam, aan de vooravond staat van een fantastische Kerst. In hun eigen woning wel te verstaan. Hij wenst me een gelukkig Nieuwjaar. Een prachtige wens die alle glossy en met veel huisvlijt in elkaar geknutselde kaarten, die in tientallen tegelijk binnenkomen deze dagen, in één klap afwaarderen. De ironie is dat hij en de overleden man elkaar kenden. Ik heb ooit samen met ze en anderen aan tafel gezeten om de warme maaltijden – waarover veel klachten waren – te proeven en zelf te ervaren dat ze groot gelijk hadden. In veel opzichten een hilarische winteravond. Pret, verdriet en gedeelde verontwaardiging gingen hand in hand. Een Kerstdiner met bijzondere mensen, dat gun ik iedereen.


Piet Praat

Al jaren zit hij meerdere malen per dag gehurkt tegen de muur of tegen de radiator in één van de gangen van het oude klooster. Zijn magere lijf ineengedoken, zijn hoofd in zijn handen. Soms kijkt hij op en roept - terwijl hij zijn blik scherp probeert te krijgen - je naam. Hij loopt snel, in zichzelf gekeerd struikelt hij bijkans de trappen af. De te grote broek en overhemd slobberen om zijn magere lijf, haren verward en een gezicht vol rimpels. Hij lijkt altijd haast te hebben, totdat hij zijn favoriete zithouding aanneemt en ineenduikt. Hij lijkt in stilte vragen te stellen, gelijk een filosoof in oude tijden.

Laatst kruisten onze wegen. "Piet, wat kijk je toch ingespannen, zie je wel goed?". Een diepe zucht, rommelende longen en een licht verbaasde blik. "Nee, ik zie niet goed, was laatst bij een arts, wat denk je dat die zegt? Je moet een leesbril!" Een schaterlach vulde zijn grimaserende gezicht, de bewegingsdrang werd groter en nam bezit van zijn hele lichaam. "Wat moet ik nu met een leesbril? Ik lees helemaal nooit!". Na deze nuchtere openbaring was mijn nieuwsgierigheid gewekt en besloot ik vaker een praatje te maken. Een Pietpraatje.

Een paar weken later zag ik hem weer zitten, gehurkt tegen de radiator. Ik probeerde min of meer dezelfde houding aan te nemen, mijn spieren spanden en ik voelde de metalen ribben van de oude radiator in mijn rug prikken. Het water suisde door de metalen ribben van de verveloze verwarming . Piet trok zijn hoofd uit zijn handen en keek me aan. "Ben jij Bram?" vroeg hij en stelde direct de vervolgvraag of ik wist hoeveel geld hij had. "Nee daar ben ik niet van op de hoogte Piet" probeerde ik monter en licht aangeslagen door de normaliteit die Piet aan de dag legde in deze situatie. Ik zit niet vaak in de gang op mijn hurken tegen een verwarming en verwachtte toch dat hij daar minimaal een opmerking over zou maken. Nee hoor, in tegendeel. Er volgde een verhandeling over geld, sparen en de liefde voor zijn zus die hem in zijn jonge jaren heeft verzorgd. Hoewel ze hem – vervolgende hij stoïcijns – zelden heeft bezocht, is zijn spaargeld voor haar. Ze heeft het verdiend. "Heb je nog andere wensen waarvoor je wil sparen?", probeerde ik. Zijn hoofd trok hij rechtop, het grimasseren stopte, hij keek me indringend aan, zijn lach overspoelde zijn gezicht "Nee joh, ik ben al in de tachtig". Daarmee was alles gezegd.

Terwijl ik voorzichtig mijzelf omhoog probeerde te hijsen zonder al te veel een potsierlijke indruk te maken, vroeg ik me (ter afsluiting) af of hij toch liever niet op een stoel zou willen zitten. "Nee hoor, de kachel is lekker warm" zei hij, het hoofd weer beschermend in zijn handen. Of het elk moment kon loskomen van zijn lichaam.

Vijf minuten later stapte ik in mijn auto, Piet reed in gedachten nog een tijdje met me mee.


Bedankt voor het praten

Een drukte op de gang, op het slecht verlichte halletje komen vier mintgroene deuren uit. Achter twee van hen wonen mensen, achter de andere twee werken mensen. De drukte is ongewoon, onze buurmannen redden zich best redelijk. Zeker 'onze dove buurman'. Hij klust wat bij een meubelmaker, bezoekt ziekenhuizen en doet boodschapjes. Bijna dagelijks piept hij even om de hoek, vooral bij mijn collega. In zijn kleine ronde hoofd schitteren ondeugende ogen, hij is klein, gedrongen en stijf. Hij draait niet meer met zijn hoofd maar met zijn hele lijf. Dat doet hij vaak in een poging nog iets met zijn goede oor op te vangen van wat je zegt. Zijn zinnen zijn kort, gewend aan zijn eigen doofheid vraagt hij eigenlijk nooit iets, hij zegt vooral iets. En dat in onvervalst Haags met de daarbij behorende Haagse humor en zelfspot. De drukte op de gang is vanwege hem. Hij is ziek, erg ziek. Alle medewerkers komen hem bezoeken en wringen zich in allerlei bochten op zoek naar oplossingen voor de zich plotseling verergerende situatie. Eén ding staat vast: hij blijft hier tot de laatste snik. "Ik ga mijn kamer niet uit" zei hij vastberaden. Zijn huid kleurde geel, zijn tred werd zwak en hij kwam zijn bed niet meer uit.

Mijn collega liep onlangs bij hem binnen en vroeg of ze nog iets voor hem kon doen. Ze dacht zelf aan het bellen van een 'verloren familielid' of iets dergelijks. Zijn ogen fleurde op; "jazeker kan je wat voor me doen, ik heb trek in een ijsje". Een ijsje als laatste wens. Koud en warm tegelijk. Zelf trof ik hem, een dag voor zijn overlijden aan. Liggend in een diepe slaap, een ingevallen gezicht, de neus spits en een onrustige ademhaling.

De dood, die vele gedaanten kent, werd ongeduldig en nam bezit van zijn lichaam. De volgende dag overleed hij. Op zijn kamer. Medewerkers waren bedroefd, moe, aangeslagen en steunden elkaar. Hij woonde er al tientallen jaren, deelde altijd snoep en fruit uit aan de medewerkers en maakte zijn praatjes. En hoewel zijn geheugen soms wat haperde, kende hij je voorkeuren, voor mij was het 'echte slagersleverworst'. Die kwam hij dan brengen vergezeld van een verhaal over een bezoek aan een dokter die hem weer voor 'jaren had goedgekeurd'. Voor mijn collega bracht hij snoep, koek of een appeltje inclusief schilmesje. Zij heeft er zelfs een trommeltje voor aangeschaft; de laatste weken raakte het leeg. "Bedankt voor het praten" riep hij vaak wanneer je eigenlijk geen tijd voor hem had en het gesprek kort hield. Daar stond je dan.

Een half jaar terug liet ik mijn vrouw en mijn jongste dochter mijn werkplek zien. We kwamen de buurman tegen. Hij keek naar mijn vrouw, naar mij en vervolgens naar de kleine meid; ze was vier. "He kleine. Ik heb voor jou wat lekkers" zei hij en gaf haar een Marsreep. Ze nam het aan en at het in de auto op. De eerste Marsreep in haar leven. Nog herinnert ze die 'oude opa die haar iets lekkers had gegeven op jouw werk'. Ik vertel haar niet dat hij is overleden. Zoveel macht wil ik de dood niet geven.

"Bedankt voor het praten", we zullen je missen.

 


Ode aan de geit

Het – achter twee aaneengeschakelde herenhuizen liggende – voormalig klooster herbergt vijftig bewoners. Zij wonen daar beschermd; letterlijk en figuurlijk. Onzichtbaar voor de buitenwereld pal tegenover de Koninklijke Stallen en dus ook dichtbij onze Vorstin, althans op werkdagen. Zij lijken wel wat op elkaar, de Vorstin en de bewoners van het voormalig klooster. Het zijn buren met begrip voor elkaars situatie. Nu heeft de Vorstin paarden, dichtbij haar werkpaleis. De kloosterbewoners niet. Zij hebben twee geiten en een volière met vogels. Maar de vreugde is er niet minder om. Aan één kant van het gebouw, dat het verweerde cement uit haar voegen aan het persen is, is een voormalige kloostertuin gelegen. Genoeg ruimte. Daar waar knoestige nonnenhanden vroeger de moestuin bewerkten staan nu bankjes, groeien struiken en is er een stukje afgezet voor de geiten. De afgelopen jaren kon men de twee geitjes zien groeien, niet in de hoogte maar in de breedte. Her en der werd wat extra's toegestopt door de bewoners. De geiten, niet snel meer onder de indruk, aten het genadig. Op een dag stond één geit in een positie die wees op een ongemak. Mank. De ingeroepen dierenarts constateerde artrose en obesitas. Het leven als stadsgeit in de beschermde woonomgeving had zijn tol geëist. Met een heus bijvoederverbod en pijnbestrijding werd het leven vergemakkelijkt, tot voor kort de mededeling kwam dat het niet meer zo langer kon. De pijn werd te hevig en de dierenarts adviseerde dat 'inslapen' het beste zou zijn voor het beestje.

Niemand twijfelde aan zijn oordeel, een brief werd opgehangen en het nieuws werd verteld. In de ochtend van het afscheid stond een groepje mannen rondom het hek. Mannen met een geschiedenis die haaks staat op die van de nonnen wiens kamers zij hadden betrokken. Hoewel sommigen van hen ook in stilte leven maar dan niet vanuit overtuiging. Nee, het zijn geen praters, op enkele spraakzame grappenmakers na."Hé directeur, er komt toch wel een nieuwe geit hè?". "Je ruimt toch zeker niet gelijk de boel op? Pas op hoor anders kom ik in opstand". Gelach vulde de stilte. Stoere taal van mannen die met bruine vingers van het roken, en met een leven doortrokken stem, tegen het hek leunden en zich – kijkend naar het geitje – groot hielden. "Er komt nieuwe have!" Riep ik en vluchtte in de schaduw van de enorme bomen die met hun takken in de hemel wortelden.

Helaas hebben we geen ruimte voor een paard. Jammer, het is bijna zeker dat wijlen Prins Bernard, wiens foto niet zou misstaan in één van de eetzalen, schalks zou lachen en zijn dochter zou aanmoedigen edelmoedig een paard te detacheren Het nobele dier zal zijn makkers bij goed weer aan de overkant horen briesen. Het zal niet zover komen, een maatje voor de overgebleven geit is goed genoeg. Daar doen we het mee. Ook voor een geit geldt immers dat alleen maar alleen is.


Belangeloos is niet onbelangrijk

De prille voorjaarszon prikt via het spiegelende water door het raam van het visrestaurant. Tussen de bleke mensenhoofden van het terras, het zicht op de klapperende touwen aan de masten. Wit/grijze meeuwen dansen - ogenschijnlijk ongeïnteresseerd - in de wind, klaar om toe te slaan. In de stilte van het restaurant is de crisis voelbaar. De borden staan dampend op tafel. Mijn tafelgenoot begint met een zekere hand "het vissie" te fileren. "Hoe is het met je Bram"? Het antwoord rolde als klaterend water over mijn lippen, op tafel en verdampte. Zijn verhaal volgde. We kennen elkaar nauwelijks op een paar cruciale momenten na. Dat was de kennismaking en het afscheid bij een vorige werkgever. Mannen van in de vijftig, elkaar weer gevonden via de moderne media, besloten samen "een vissie" te gaan eten. Een ronde man met een bonkig voorkomen in een opvallende gekleurde trui. Rechtuit communicerend en kennis van cijfers, reeksen en grafieken. "Ik zit ergens mee en wil het van me af hebben", we kwamen to the point en bestelden een glas witte wijn. Mannen van de wereld. Hij keek getergd en boos toen hij uitlegde waar hij mee zat, zijn vriendelijke kraaienpootjes acteerden mee. "Ik stem rechts maar ik denk links", vervolgde hij. "ik erger me rot aan de overheid die, wanneer het over de AWBZ gaat, alleen maar aan de kosten denkt en niet aan de baten". Een gevoelsbegroting. "Zij lijken wel onbewust onbekwaam, jarenlange wijzigingen, kortingen, registraties, efficiëntieslagen, pakketmaatregelen en ga zo maar door, het moet stoppen". Een slok, een onnodige aanmoedigingsknik. "Het helpt geen zier, denk ik, we zijn te laat maar toch moet ik het kwijt en wil er over publiceren". Ik haakte gretig in en bood hulp bij het uitwerken van zijn boodschap.

Een blik naar buiten. Daar boog een bewoner van één van onze beschermde woonvormen, zich over zijn bord. Voor hem een glas wijn en naast hem een vrouw. Het is een mooi toeval hem hier te zien, in de haven, weg uit het beschermende klooster. Hij is een uitzondering, er is iemand die zich om hem bekommert. "Weet je, ik heb even geen werk maar ik vermaak me prima. Ik doe onderzoek voor de publicatie, spreek mensen en verdien er geen cent mee. Het is belangeloos maar niet onbelangrijk", vervolgde mijn vroegere collega na een toiletbezoek en dronk, als een aangemeerde visser, zijn dubbele espresso zonder aarzeling in twee slokken op. Op de terugweg maakte we afspraken. Bij het uitstappen een hartelijke hand. In de gangen van het voormalige klooster voelde de stilte al lang niet meer als crisis. Eenzaamheid hoopt zich op tegen de muren. Flarden van verwerking. Voor hoop is het nooit te laat. Als makkers binden we de strijd aan. Wat een mooie dag!


Zwembad zonder badmeester

Zojuist ben ik gefilmd door een crew van TVDenHaag voor het programma Den Haag Frontaal. Een programma waar onderwerpen langskomen die te maken hebben met de zogenaamde Kracht- Pracht of zoals u wil Vogelaarwijken. Of ik even een pittig standpunt wilde roepen; liefst in één minuut. Nadat de senior van de crew mij deelgenoot maakte van zijn ervaringen met mensen die zich ophouden aan de zelfkant van onze samenleving, pakten de twee andere - veel jongere - medewerkers de camera en microfoon (zo'n pluizenbol). "Kan het in de tuin, dan kan het klooster er ook nog mooi op". Eenmaal buiten keken een aantal bewoners me na, ik zag het niet maar voelde bijna die meewarige blik in mijn rug prikken. Een beetje quasi onverschillig zat ik op de leuning van een bankje mijn evenwicht te bewaren en verzonk ik in gedachten. Wat zal ik gaan zeggen? Wat doe ik hier 200 meter van het paleis Noordeinde in een voormalige kloostertuin van een Beschermde woonvoorziening met drie mensen en een camera voor mijn neus, een pluizenbol boven mijn hoofd terwijl zich achter mijn rug een steeds groter groepje bewoners en medewerkers zich verzamelden om het schouwspel te bekijken  en er van mij een statement van een minuut verwacht wordt over iets uit de krachtwijken? Een diepe zucht en 20 lange minuten later stond het erop. In the pocket volgens de senior die met het uiterlijk van een rocker zijn hippe leesbril onder zijn haar schoof en in gedachten al weer verder was. Het statement: gemeente investeer niet alleen in gebouwen waar mensen worden opgevangen maar ook in begeleiding (WMO) om mensen weer te 'leren leven' buiten die instellingen. Anders hebben we 'zwembaden zonder badmeesters', riep ik met een iets te hoge stem en met een zekerheid die mijn onzekerheid over de betekenis van deze metafoor net niet overschaduwde.

Een half uur later riep bewoner Kees op de gang tegen een collega terwijl hij zijn vinger naar mij priemde: "hij wordt een filmster hoor, het is net Fred Astair". In haar glimlach zat berusting naar Kees (hij is doof) en radeloosheid omdat ze niet direct een beeld van good old Fred had. God zij dank, de Fred Astaire in mij heb ik nog nooit ontdekt en dat is, gelet op mijn motoriek zo vreemd niet. Hoe dan ook, de mannen van Tichelaar hebben weer wat om over te praten, binnenkort is Den Haag een beeldspraak rijker en ik kan me koesteren met de gedacht dat er ergens diep van binnen een Fred Astair in mij huist.


BramBlogt: Ben ik in beeld?

Vandaag werd ik op de foto gezet. De eerste keer voor een artikel in een jaarbericht van een vermogensfonds. Nog tijdens de fotoshoot stond de tweede fotograaf te wachten voor een foto bij een artikel in een gemeentelijk blad. Ik onderging het gelaten, het "in de picture" staan hoort enigszins bij mijn functie die zich voor een deel in het publieke domein afspeelt. Bovendien ga ik vaak in op verzoeken voor een artikel, een mening of een fotomomentje. Niet (alleen) uit ijdelheid maar vooral omdat ik via zoveel mogelijk kanalen de boodschap van ons werk wil overbrengen. Werk dat zich tot voor kort achter gesloten deuren in oude - van de hand gedane - gebouwen afspeelde en het verdiend om gezien te worden. "Het werk" bestaat namelijk uit het opvangen en begeleiden van mensen die om de een of andere reden zijn aangewezen op de Kessler Stichting. Over "die mensen" wordt makkelijk geoordeeld; overdreven negatief en soms ook wel romantisch positief. Een berichtje, een interview, een foto, een publicatie, een advertentie of een open dag helpen mee het beeld realistischer te maken. Vandaag was zo'n dag om daaraan te werken. De ene fotograaf wilde ook nog even buiten wat plaatjes maken. We waren in Tichelaar (een voormalig klooster), een omgeving voor een fotograaf om te smullen. Vooruit maar, dacht ik, laat ik hem nu niet lastig vallen met een ethisch vragenspel of het ook zo leuk is om hier met zijn vijftigen te wonen, en stelde me op voor de twee huisgeiten die vredig stonden te grazen in de voormalige kloostertuin. Drie bewoners zagen me staan en liepen schoorvoetend naar me toe, nieuwsgierig vroeg de kleinste van het stel of hij ook op de foto mocht. Met één jaknik legde hij zijn arm om me heen direct gevolgd door de twee andere heren. Gebroederlijk stonden we daar gearmd. Ik voelde de trillende arm van mijn rechterbuurman en zag hoe nummer twee en drie hun armen daar weer overheen probeerde te krijgen. De arthrose, medicatie of de schade van de voorgaande jaren van hun levens waren zichtbaar in de lijven van deze drie mannen. Even hadden ze plezier, maakte ze geintjes en hadden ze contact. In plaats van dat ik ze kon bedanken bedankte ze mij. Volkomen onterecht. De dank is immers geheel aan mijn zijde.