Clienten

Tijd voor bezinning?

Er is een rapport van de commissie Dannenberg (van Beschermd Wonen naar Beschermd thuis) dat in opdracht van de VNG is geschreven. Het rapport is een aansprekend vergezicht en wordt alom omarmd. Het gaat uit van het principe dat de zorg naar de mensen thuis moet komen (vanuit de vraag) en niet aanbodgericht in een Beschermde woonvorm of Maatschappelijke Opvang moet worden georganiseerd. Dat past in de vermaatschappelijking van de zorg. Vanwege de kwetsbaarheid van de mensen over wie het gaat en de complexe uitvoering wordt er een periode van 15 jaar uitgetrokken voor deze transitie. Centraal staat de eigen kracht van de burgers en het beroep op het zelforganiserend vermogen en sociale netwerken. Uiteindelijk zal dat leiden tot minder intramurale voorzieningen omdat mensen in een waaier van woonvarianten wonen en flexibel ondersteund worden. Als het echt niet anders kan is er Wet langdurige zorg als een ultimum remedium. 

Aansprekend met een enkele mits en maar. Om ‘je zelf te organiseren’ moet je over vaardigheden beschikken. Die zijn niet bij iedereen ontwikkeld of inzetbaar door bijvoorbeeld ziekte of een alles overheersende stress door de situatie waar men in terecht gekomen is. Het terugvinden van de autonomie, het gevoel weer mee te mogen en kunnen doen in de samenleving en perspectief zien is voor veel mensen zeker haalbaar. Maar het kost tijd en de omgeving moet er op worden afgestemd. 

Er staat ook een opmerking in die vandaag de dag heel actueel lijkt. “De keerzijde van de vermaatschappelijking – zoals bekend van de geestelijke gezondheidszorg in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw - kan immers bestaan uit zelfverwaarlozing, eenzaamheid, geldgebrek om mee te doen, stigmatisering en verwardheid op straat.”

Er is nog een rapport. Het feitenrapport van de Haagse Rekenkamer over hoe de systemen functioneren voor de opvang en begeleiding van mensen die dakloos zijn. Het geeft inzicht hoe een en ander is geregeld in Den Haag (en in Amsterdam waar ook zo’n rapport is verschenen). Rotterdam en Utrecht volgen. Het zal daar vast niet anders zijn. De uitkomsten staan haaks op de gedachte dat er voor iedereen een plek in de wijk is. Betaalbare woonruimte, regie, ondersteuning bij problemen met administratie, gezondheid en dagbesteding en een steunend netwerk voor als het ‘even niet meer gaat’ is makkelijker opgeschreven dan uitgevoerd, zo blijkt. 

En nu is er ook een derde rapport. Om het beeld zo compleet mogelijk te maken hebben we, samen met het Leger des Heils, een onderzoek laten doen onder de mensen die zijn aangewezen op de opvang. We waren nieuwsgierig over wie zoveel geschreven wordt. Wie zijn de mensen in de noodopvang? Wat ze mankeren ze, hoe voelen ze zich en waar hebben ze behoefte aan? Het rapport wordt maandag 12 februari aan wethouder Karsten Klein aangeboden. Het onderzoek bevestigt, in samenhang met de uitkomsten van het Rekenkamer rapport, nadrukkelijk de noodzaak in actie te komen. Het is wat mij betreft ook tijd voor bezinning. Laten we nog eens goed stil staan bij wat nodig is om de vermaatschappelijking in onze sector door te voeren en geen voorzieningen sluiten voordat die waaier aan woonvormen en kwalitatieve ondersteuning er ook daadwerkelijk is. Als dat goed geregeld is en er is voor een kleine groep mensen voor wie begeleid thuis wonen niet mogelijk is een passend aanbod binnen de Wet langdurige zorg, zal het op den duur rustiger worden op straat en kan de overloopvoorziening aan de Zilverstraat als eerste dicht. 

Tot die tijd zetten we extra bedden bij omdat we in Den Haag nu eenmaal niemand op straat willen laten slapen. Een ultimum remedium. 


Leendert

Tegen de gevel vindt het onkruid zijn weg omhoog, de afvalemmer zit overvol met blikjes en plastic tasjes en het papiertje met de openingstijden erop krult van het glas af. De nachtopvang of beter de crisisopvang is weer leeg. Althans bijna leeg. Medewerkers krijgen het de laatste tijd steeds moeilijker om mensen naar buiten de sturen met ‘tot vanmiddag.’

Draaiend aan een sigaret sprak hij hardop tegen niemand in het bijzonder. Zijn magere benen over elkaar geslagen, zijn metalen bril scheef op zijn gezicht. Hij sprak geen Nederlands en bleef binnen omdat hij de dag er voor buiten op de stoep in elkaar geslagen is en beroofd van zijn de weinige spulletjes die hij had. “Hij is zeer kwetsbaar, nu ook gewond, verward en kan zich niet verweren’ zo vertelde me een medewerker zijn verhaal. “En het meisje dat je daar ziet heb ik ook binnen gehouden. Ze heeft een licht verstandelijke beperking, gaat met jongens mee omdat ze lief voor haar zijn en haar geld geven voor seks  en bovendien wil ze graag een kindje om voor te zorgen. Er zijn er al twee kinderen bij haar weggehaald door de kinderbescherming. Ik laat haar overdag binnen, dan is ze tenminste veilig.”

Zo maar twee verhalen; er zijn er nog veel meer. Soms beschermen we mensen. Hun kwetsbaarheid is groter dan hun mentale of fysieke weerstand tegen anderen die kwaad in de zin hebben. Aan de andere kant grijpen we in wanneer mensen ons of mede-cliënten bedreigen, slaan of uitschelden. Veel middelen om dat te doen hebben we niet bovendien willen we liever voorkomen dat het uit de hand loopt en mensen laten leren van disfunctioneel gedrag. Ze zijn immers niet voor niets bij de Kessler Stichting terecht gekomen. Dat vraagt om genuanceerde aanpak, doortastende mensen die precies aanvoelen hoe te handelen tussen handhaven en zorgen. Vakmensen.

Onlangs namen we afscheid van zo’n vakman. Leendert, een van onze portiers. Een rasechte Hagenees die altijd op het juiste moment de juiste beslissingen wist te maken. Zorgzaam als het leed te veel werd en beschermend wanneer een sterke arm nodig was. Leendert staat symbool voor vakmensen, moedige mensen die lef combineren met zorgzaamheid en empathie. Leendert gaat met pensioen; dat is hem gegund. Cliënten hebben geld voor hem opgehaald en een kaart gekocht. Het is ontroerend en hoopgevend tegelijk en vooral een groot compliment.


Woordenstal

Soms ontstaan er woorden die de harde realiteit poëtisch verzachten. Recent proefde ik ineens regelonvaardig op mijn tong. Ik kende de smaak, rond en fluweelzacht met een wat bittere lange afdronk. Het smaakt niet naar meer. Helaas ben ik niet altijd zelf de maker van deze woorden, maar worden ze aangedragen door de trillende lucht boven praattafels. Het is verrassend dat je ineens de woorden niet rechthebbend hoort aankomen, die - voordat je het weet - een plekje vinden in je eigen woordenstal.

Er zijn mensen die zich ' s middags bij ons melden voor een overnachting en te ziek zijn om overdag weer naar buiten te kunnen. Dat is niet nieuw en we kunnen ze ook helpen door ze op de ziekenboeg te houden. Maar, zo vertelden de mensen van de afdeling, de nood is groter dan ooit. Mensen zijn in de war,sociaal zwak, zitten in rolstoel of scootmobiel, of zijn verstandelijk zeer beperkt. De maatschappij verandert - vaardigheden niet zo snel.

Niets werkt beter om de omvang van de nood te begrijpen dan gewoon even gaan kijken en praten met de mensen over wie we het hebben. Twee trappen naar beneden en mijn collega en ik zijn er. Het is rond 11.00 uur en we lopen twee van de drie 'huiskamers' binnen. Een jonge Engelssprekende vrouw helpt samen met een andere vrouw broodpakketjes klaar te maken voor de Soepbus. Twee mannen soppen tafels af en een derde tuurt naar het scherm van de computer die daar voor algemeen gebruik staat. Sinds kort bieden we de meest kwetsbare mensen aan ook overdag te blijven. Uit bescherming tegen het leed dat ze op straat ten deel valt en bereikbaar voor hulpverleners.

Vanuit de rookruimte hoor ik stemmen. Om het hoekje zie ik een man met een Aziatisch uiterlijk schuin voor het raam zitten. Hij zit op een stoel, kijkt tegen de afgeplakte ruit en praat hardop in een onbekende taal. Voor hem een pakkie shag en een volle asbak. Even denk ik nog dat hij aan het bellen is, maar ik zie nergens een telefoon. "Hij praat in zichzelf, de hele dag door", zegt een wat oudere vrouw met een leesbrilletje op het puntje van haar neus. Een lok van haar uitgegroeide geblondeerde haar stopt ze achter haar oor, terwijl ze opkijkt van een puzzelboekje en zucht: "Ach ja, dat doet hij de hele tijd. We verstaan hem niet eens."

Straatonvaardig, denk ik ineens. Ik ben de klos.


 


Klasse A

De zon trok zich terug achter de gevel, de schaduw viel over de binnentuin waar mensen keuvelend met elkaar, stil op een bankje of in een rolstoel aan het eten waren. Drie foodtrucks zorgen voor een afwisselende hapje of drankje en een muziekje op de achtergrond doorbrak de zwijgende stilte. Clienten, medewerkers en vrijwilligers werden zo even in 'het zonnetje' gezet.

Met een bakje hippe pastasalade in de hand liep ik naar een man die daar, zwijgend met een beker tomatensoep, voor zich uit stond te roeren. Ik herken hem. "He joh, hoe is het met je, smaakt de soep?" Zijn wat opgezwollen gezicht draait naar me toe. "Ja hoor, alles goed." Nu ik zou dicht bij hem sta zie ik eigenlijk dat hij iets langer is dan ik en dat hij ook nu weer een te krap shirt aan heeft. Het geeft zijn lichaam iets ongemakkelijks. Zijn kleine bril met ronde vette glaasjes van dun metaal lijkt met kracht op zijn gezicht geduwd. "Werk je nog steeds naar je zin bij de dagbesteding?' Probeer ik om het gesprek op gang te krijgen. "Ja zeker, maar ik woon hier niet meer, ik woon nu op mezelf in het Bezuidenhout, een sjieke buurt hoor met fijne mensen." Dat was voor mij een verrassing omdat ik dacht dat hij op een afdeling voor beschermd wonen verbleef. "Dat is goed nieuws zeg, hoe kom je daar zo terecht?" Hij ontvouwde zijn relaas. Zijn reis vanaf zijn ouderlijk huis tot aan de straat, de nachtopvang, beschermd wonen, begeleid wonen tot aan zijn zelfstandige driekamer woning in het Bezuidenhout. Een reis van vijf jaar, aaneengeregen in monotone zinnen. Zijn soep bleef onaangeroerd. Alleen bij een herinnering aan zijn vader verhief hij zijn stem. "Ik mocht niets, moest mijn mond houden en werd onder de duim gehouden.' Hij duwde zijn duim met kracht in de lucht eronder, alsof hij een zware last wegdrukte. "Toen ik psychisch knapte en niet meer mee kon werken in de zaak, kon ik gaan, ik had niets te willen volgens mij vader. Mijn relatie ging uit, blowen en drinken volgde, ik belandde op straat en meldde me in de nachtopvang. Ik had geen cent en niemand die zich in mij interesseerde." Hij staarde voor zich uit, de soep werd geroerd, mijn pasta was bijna op. "En toen, wat deed je toen?" "Wat mij helpt is iets doen", hij draaide zijn gezicht wat meer naar mij toe. Zijn ogen knepen achter de ronde glaasjes, zijn wangen duwde de bril omhoog. "Vanaf de eerste dag ben ik dagbesteding gaan zoeken, tot de dag van vandaag geeft me dat structuur. Later volgde therapieën, diagnoses en medicatie. Ik begrijp nu beter hoe alles komt en wat ik er aan kan doen. Maar werken is het allerbelangrijkste voor mij. Daarom kom ik hier elke dag naar toe. Ik woon nu weer op mezelf en krijg nog wat begeleiding om te kijken of ik er geen rommel van maak. Logisch hoor maar het gaat goed." Ik hoorde een vleug Westlands accent in zijn verhaal dat nu meer toonverschillen kreeg. "En blijf je bij ons dagbesteding doen?" "Nog even maar dan, ja dan ga ik natuurlijk weer werken in het Westland." Hij dronk de afgekoelde soep in een teug op, veegde zijn mond af en draaide zich nu helemaal naar mij toe. "Er is toch niets mooiers dan iets zaaien, het zien groeien en koesteren totdat het een klasse –A product is wat je vol trots kan laten zien!" Zijn ogen glommen, zijn handen verbeelden het zaaien en oogsten. Ik knikte instemmend. "En je ouders, zie je die nog wel eens?" "Nee, nooit en dat hoeft ook niet, ze hebben al meer dan genoeg kapot gemaakt." Resoluut hernam hij zijn positie en nam een slok uit de lege beker. "Ik ga nog even wat anders eten en dan weer naar huis." We namen afscheid.

Het bakje van gerecycled karton en wat restjes paprika en pasta erin gooide ik in een kliko. Er naast stond een man met een vuurrood gezicht. "Ken ik u niet ergens van?" Ik gaf hem voor zoveelste keer een hand, een nieuwe kennismaking, telkens weer.  


Er brandt een kaarsje in Den Haag

Er brandt een kaarsje in Den Haag. Niets bijzonders, gewoon een waxinelichtje. Het vlammetje, dat soms buigt voor de wind, verlicht de nacht en overdag de stad. Het staat tussen het Centraal Station, het Nationaal Archief en Letterkundig Museum. Kijk er maar eens goed wanneer u daar loopt, u ziet het vast.

Daar, zittend op een betonnen rand tussen hoge en anonieme gebouwen, schoof hij het plastic tasje achter zijn voeten en nam hij een haal van zijn shaggie. “Zo, bent u de nieuwe directeur? Nou ik ben Martin, we zullen elkaar nog wel vaker ontmoeten.” Hij keek daarbij schalks naar mijn collega met wie ik een fietstour door de stad aan het maken was. Een onderdeel van mijn inwerkprogramma. In de jaren die volgden kruiste onze paden regelmatig. Martin kwam monter als altijd voor een paar maanden bij ons wonen, was regelmatig verdwenen om later weer op te duiken. Dat jarenlang. Voor nieuwe woonvormen was Martin wel in. Een poging om met drie anderen in de wijk te wonen mislukte uiteindelijk. Zijn worsteling met het leven werd door hem treffend in een interview verwoord. “Af en toe lekker buiten slapen maar dan weer fijn na een paar naggies naar mijn eigen bedje en mijn tv-tje.” Een tweede poging lukte beter. Een gedeelde woning pal tegen de beschermde woonvorm aan. Op zijn uitnodiging schoof ik een keer aan tijdens de maaltijd. Martin had gekookt. Pannen op tafel, aardappels, kipfilet, bonen en appelmoes vormden het menu. Het was in alle opzichten sterwaardig. Mijn afwasaanbod werd lacherig afgewezen maar of ik wel een magnetron kon regelen vroeg Martin. “Sommige van die gasten zijn laat en dan is het eten koud, dat kan toch niet?”

Martin werd ziek. Het leven met drank en sigaretten eiste zijn tol. Hij verloor zijn stem en had meer hulp nodig. Zijn bed op de verpleegafdeling bleef ook daar soms onbeslapen. Met scootmobiel en al bleef hij dagen zoek. We zochten en vonden hem, hij bleef sindsdien. Er was ruimte voor persoonlijk afscheid, vol trots wees hij ons op een foto van zijn dochter. Zijn ogen maken een stem overbodig.

Martin had gelijk, ik zou hem nog vaak tegengekomen.


Dat kan ik zelf wel, ik ben niet gek

Als jonge jongen leerde ik het vak van verzorgende. Het speelde zich af in de jaren’70 in een voormalig sanatorium dat dienst deed als verpleeghuis. Naast mensen verzorgen leerde ik  werken met verpleeghulpen, ziekenverzorgenden, verpleegkundigen, de waarnemend hoofdzuster, de hoofdzuster en de dokter. Als leerling stond je onderaan in de hiërarchie en werd je bijgestaan door een praktijkbegeleidster, die je vorderingen keurig bijhield in een aftekenboekje. In de kantine stond een tafel waar alleen de artsen en de hoofdzusters aan mochten zitten en de eerste koffie dronk je staande in het keukentje. Soms moesten de meisjes hun nagels laten inspecteren door de hoofdzuster. Zelf leerde ik dat een lepeltje 'in het verlengde van oortje van het kopje' op het schoteltje hoorde. 

Er waren ook mensen die verzorgd werden. In een van de lange gangen zat steevast een oude, kleine, gedrongen vrouw. Zij was vanaf geboorte gehandicapt en woonde al jaren in het verpleeghuis. Geesje werd bij haar voornaam genoemd, een doodzonde in die tijd. Geesje nam zo vroeg als ze kon haar strategische plek in: een hoek op een kruispunt van twee gangen. Ze begroette iedereen met haar enigszins vervormde stem. Met haar te korte been, de zware hooggehakte schoen vooruit stekend, was ze een herkenbaar baken in de tl-verlichte en weeïg ruikende  gangen. Geesje was in veel dingen beperkt, behalve in haar vaardigheid om zelf te bepalen wat ze wilde. Ze gruwelde van handwerken en andere activiteiten die werden georganiseerd. Ze noemde haar medepatiënten gekke oude mensen of tikte veelzeggend tegen haar voorhoofd. Het lepeltje had bij haar overigens geen functie, ze dronk uit een plastic beker met een tuitje. 

Vandaag de dag word ik in ons hoofdgebouw begroet door een kale man die in de hal zit. Laat ik hem Lou noemen. Hij wordt verzorgd op de verpleegafdeling, is stokdoof en kiest net als Geesje destijds, zijn positie. Lopen kan hij nog net; zwaar hinkend loopt hij naar zijn plek en soms even naar buiten.  Hij compenseert zijn doofheid door hard en monotoon zijn levenswijsheden met iedereen te delen. Hij heeft zo zijn eigen tegeltjeswijsheden. Voor mij bewaart hij: ‘Jij bent knapper dan je broer.’  Wat op zich niet waar is, maar aangezien hij denkt dat een collega mijn broer is heeft hij een punt. Hulp bij het lopen weigert hij: ‘Dat kan ik zelf wel.’ Vandaag zag ik hem met een witte tas, te koud gekleed, naar buiten hinkelen. ‘Ga boodschappen doen, ben niet gek hoor en als ik terug kom maak ik een mooie foto van je.’

Er lijkt veel veranderd. De hoofdzuster is weg en aftekenboekjes bestaan niet meer. De vakmensen zijn nu echt zelf aan zet en vervullen meerdere rollen. Impliciete regels van destijds zijn nu te vinden op de computer. De gangen hebben meer kleur, medicijnen zitten in zakjes en tillen gaat met een tillift. Ik denk niet dat er nog iemand is die aan de juiste positionering van lepeltjes denkt; dat is wel een gemis. Stiekem doe ik het nog wel eens en geniet ik van zo'n klein monument. 

“Iedereen in zijn eigen kracht zetten” is nu het leidmotief. Geen nieuws voor Geesje en Lou. 

 
Een variant van deze column verschijnt in Tranz november 2015


Het is bepaald geen rooskleurige toestand

De socioloog is heengegaan. De broodmagere man met het warrige haar en het dunne metalen montuurtje op zijn neus, is niet meer. We kwamen elkaar regelmatig tegen. Hij sprak me meestal direct aan, stotterend en met zijn hand plukkend aan zijn vlassige sikje. Hij liet horen dat hij niet alleen welbespraakt was maar ook weldenkend. “Ik kan, voor u directeur en de organisatie, van grote waarde zijn. Ik ben niet alleen socioloog maar ook bekend met de organisatiekunde, opgedaan in het werkzame deel van mijn leven.” Zijn geest was gewend aan grote hoeveelheden alcohol, zijn lichaam inmiddels niet meer. Hij schoof, wankelde of stond soms stil met vaak die hand plukkend aan zijn kin. De eerste amputatie van een deel van een van zijn voeten maakten zijn mobiliteit minder maar weerhielden hem er niet van naar de overkant van de straat te lopen om aldaar met grote gebaren in het café rondjes te geven. Van de zomer stond ik even naast hem in de tuin, achteloos stotterde hij “het is bepaald geen rooskleurige toestand.” De zachte gloed in zijn ogen vulde de mijne. 

Onlangs nog heeft hij mij een handgeschreven sollicitatiebrief geschreven. Hij zag voor zichzelf een rol als HR manager weggelegd. “Een organisatie in verandering kan wel wat HR ondersteuning gebruiken.” Het verbaasde me niet dat hij iedereen deed verbazen. Al eerder liet hij mij weten dat hij met zijn achtergrond en participerende ervaring een grote bijdrage kan leveren aan mens en organisatie. Ik bedankte hem voor het aanbod en legde onder meer uit dat er geen plaats is voor uitbreiding op P&O.  Een serieuze briefschrijver krijgt een serieus geschreven antwoord.

Weer een operatie verder keerde hij, in rolstoel, terug op de afdeling. Niet lang daarna stierf hij. Een verzorgende stuurde me na zijn begrafenis een speech van een Leidse studievriend en huisgenoot. Uit dat relaas bleek een levensverhaal met zoektochten, een drukkend milieu, drank, depressies, liefdes, afwijzingen, aansluitingen en intellectuele en spirituele ontdekkingen. Hij verkeerde net zo makkelijk met ‘hoog geplaatste’ mensen als mensen die zwierven op straat en in de kroeg. Met non-conformisme als rode draad in zijn leven spoelde hij een aantal jaar geleden aan bij ons en zette daar zijn leven min of meer voort. Proclamerend tegen een ieder die hij tegenkwam maar ook stil en bedachtzaam plukkend aan zijn kin. Participerend onderzoek, zo als hij het zelf zou zeggen. 


Sinds kort leef ik weer

Wiebelend van het ene been op het andere, legt hij uitvoerig uit wat er allemaal te zien valt in zijn kamertje. Zijn bed is opgeklapt tegen de muur, de muren hangen vol met tekeningen, foto’s en prentjes. Zijn trots is een zelfgemaakte tekening van een van de medewerkers, het is een impressionistische weergave, zo maak ik op. Hij wil me graag spreken, want ‘het is hier niet meer zo als vroeger’ en riep mij zijn kamer in. ‘Er lopen steeds meer mensen hier die niet goed bij hun hoofd zijn en ook verslaafd, terwijl ik geen druppel drink, ja vroeger wel, maar dat is toch geen zonde?’ Hij kent het huis goed, ‘mijn vader zat hier namelijk ook al’ vertelde hij, terwijl hij zorgvuldig een grijze lok van zijn haar op zijn plaats legde. ‘Dat gaf hem toch wel enige rechten?’ Ik knikte begrijpend en liep achterwaarts de kamer uit, de lege grijsgroene gang op. Tussen de zinnenprikkelende inrichting zag ik in mijn ooghoek dat de kieren van de laden van de enige kast in zijn kamer waren volgepropt met papiertjes. Heimelijk hoopte ik dat hij hier zijn wensen en gebeden op had geschreven.

Nog geen drie meter verder riep een andere bewoner me binnen. De man, begin vijftig, tanig en voorzichtig bewegend, sloot zorgvuldig de deur achter me. Nadat mijn ogen waren gewend aan de duisternis zag ik dat zijn kamer groter was dan van zijn buurman en uitkeek op de tuin. De herfst toonde zich in vol ornaat, de bladeren vormden een zachte deken op het gras, het groen had zich verstopt. We bleven staan, ook hij wiebelde zachtjes heen en weer, de cadans van medicijnen. Hij keek langs me heen naar een denkbeeldig punt op de muur en vertelde dat hij en zijn broer het hier goed hadden. “Hoewel ik meer geef om mijn broer dan hij om mij.’ Lachte hij met een zachte, ironische glimlach. “Ik vermaak me hier wel, soms ben ik beetje baldadig, maar meestal niet.’ Hij drukte zijn brandende sigarettenpeuk met draaiende bewegingen uit in zijn handpalm. Het restje hield hij in zijn vuist. ‘Weet u, ik leef sinds kort weer’ met interesse wachtte ik zijn de rest van het verhaal van zijn wedergeboorte af. ‘Ik heb aan de begeleiding mijn verhaal kunnen vertellen, ik ben als jongen misbruikt door een Pater. Het luchtte op het te vertellen; vanaf die dag leef ik weer.’

De stilte vulde de kamer. De bruingrijze takken van de boom zwiepte lang zijn raam. Nog even en dan laat het groen zich weer zien. 

 


De lift

Grommend laat een man in een scootmobiel zijn ergernis blijken als de lift niet snel genoeg naar beneden komt. Zijn vrolijke ronde gezicht met volle witte baard contrasteert met zijn blote onderbeen dat schuin naar rechts uitsteekt; de helft van zijn voet ontbreekt. Evenals een schoen of sok. "Gaat u gang", zei ik, een overdreven hoffelijke buiging makend. De man manoeuvreert behoedzaam de lift in en ziet zichzelf in de spiegel die de achterwand beslaat. De deuren sluiten de zo kenmerkende liftstilte in. Bij de eerste verdieping steekt de man behoedzaam zijn karretje achteruit. De geamputeerde voet schamp de deur en blijft in mijn gedachten steken. De lift kiest zijn eigen weg en gaat weer naar beneden.

De begane grond. De deur gaat open en een jonge vrouw stapt haastig in, en drukt op een knopje. Op haar handen houdt ze voor zich uit een - in plastic zak ingepakte - taartdoos. "Zo, wat te vieren" doorbreek ik de stilte. Ze kijkt me aan, haar donkere ogen beoordelen me razendsnel. "Ja ik heb een huis en dat wil ik vieren" zegt ze met een hese, donkere stem. "Goh, dat is fijn zeg, heb je er lang op moeten wachten?" En dan gebeurt het. Ze strekt haar lichaam, schudt haar haren uit haar gezicht weg kijkt me eerst in de ogen en dan naar het plastic pakje dat ze voorzichtig op haar handen draagt en zegt "Nou het duurde wel lang maar ik korter dan ik me had voorgenomen te werken aan de ellende waarin ik terecht gekomen was. Ik gaf mezelf een jaar om het goed te regelen en die shit op te lossen. Nu heb ik dan eindelijk weer een plek voor mezelf." Het signaal van de lift kondigt het bereiken van de etage aan, ze stapt bijna in draf uit, alsof ze bevrijd is van het beest dat haar jarenlang beheerste.

Een lange slungelige jongen wisselde met haar van plek, zijn getatoeëerde nek stak onder zijn te grote ADO shirt uit. "Zo, ga je op stap? dan zal je eerst me mij naar de vierde moeten." "Maakt niets uit hoor, ik heb de tijd" zei hij vriendelijk en terwijl ik me omdraaide om hem gedag te zeggen bij het uitstappen zag ik hem voor de spiegel staan, onhandig zijn shirt rechttrekkend. Op de rug een nummer, een nummer van zijn held. Mijn dag is begonnen. 


Een doods stilleven

Een broodmagere man lag, onder gesteven witte lakens, voor me op bed. Zijn ingevallen tandeloze mond hapte naar adem terwijl zijn armen stuurloos probeerde me beet te pakken. Zeventien jaar was ik en waste de eerste man in mijn leven. Daarbij werd ik geholpen door ‘zuster Blijleven.’ Hoe ironisch dat ook klinkt, de ironie had de deur - van deze struise zuster op leeftijd - niet geopend, zelfs niet gepasseerd. “Kom jong” sprak ze me toe met een Gronings accent, “ik laat wel even zien hoe je iemand moet wassen.” Onhandig stond ik daar in een wit broekpak te hannesen met een doodzieke man.

Toen hij naar mij toe was gedraaid en ik hem in positie hield door zijn gebogen been bij de knokige knie vast te houden, hoorde ik een langzame kreun uit zijn keel vertrekken. Zijn ogen draaide naar boven, de adem stopte. “Uuh, zuster, volgens mij is hij uuh…dood.” Resoluut stak ze haar harde handen uit het blauwe schort met gekruiste witte banden en trok de man op zijn rug. Zijn laatste zucht lucht vulde de kamer. “Tja jong daar heb je gelijk in, nou kom we wassen direct verder dan weet je ook hoe je moet afleggen.” Automatisch voerde ik de handelingen op haar aanwijzingen uit. Later die dag liep ik ‘kamer 10’ in.

Na een paar weken begreep ik waarom de zusters en een enkele broeder fluisterden als ze het over ‘kamertje 10’ hadden. Daar stierven mensen. “U moet naar kamertje 10”, was een aankondiging van het einde. Nog tien dagen, dacht ik wel eens wanneer we daar een bemenst bed naar toe reden, en dan stopt de tijd.

De uitgeteerde man van middelbare leeftijd lag gekleed in een bruin kostuum met een spitse neus en letterlijk met ‘een mond vol tanden’ onder een strak wit laken. Onder zijn kaak lag een witte opgerolde handdoek. Zijn haren in een scheiding en handen gevouwen boven het laken. Halverwege lag een deken teruggeslagen. Het einde met een keurige vouw ingestopt. Een doods stilleven. Om zijn pols tikte een horloge. De seconden werden weggeduwd door een twijfelende goudkleurige wijzer. Ik raakte even zijn handen aan, voelde de kou en liet hem achter in de kamer. Mijn blik gleed over zijn foto van vroegere jaren die in een zilverkleurig lijstje naast hem op een oud en vervallen nachtkastje stond.
Ik deed het licht uit en nam de herinnering mee.

Tot de dag van vandaag.


De Blues

In een flits zag ik zijn profiel voor het raam van zijn kamer en besloot terug te lopen. Met mijn hoofd om het hoekje piepte ik naar binnen. “ Mag ik uw kamer even bekijken?” Een magere man stapte de kamer uit en zei “Ja hoor.” We voerden op de drempel een gesprek of een praatje (dat weet ik nooit zo goed). “Bent u tevreden over uw kamer?” vroeg ik terwijl ik  de kleine kloosterkamer in me opnam.

Op het groene bobbelige zeil stonden enkele jaren’70 meubels in een keurige opstelling. Bed strak opgemaakt en een kastje met snuisterijen. Aan de muur een gitaar, vol in het licht. Als een heiligbeeld trok het de aandacht in de donkere kamer. Alles op orde.

 “Ja hoor, mijn wastafel is ook weer gemaakt, ik ben tevreden.” Zijn ogen hadden de mijne nog niet gekruist, zijn lichaam bewoog heen en weer. De onrust nam de orde over. “En die gitaar, die daar hangt, speelt u daarop?” “Dat is mijn hobby, ik speel er graag op maar treed niet meer op. Vroeger wel, toen was ik straatmuzikant. Een muzikant met behoud van uitkering.” Een glimlach trok zijn vlakke gezicht in een plooi. “Dat moet kunnen hoor, muziek maken met behoud van uitkering.” Hij vervolgde: “De Stones speel ik graag, vooral hun vroege blues nummers.” “Was u al jong muzikant?”, probeerde ik om de aandacht vast te houden. “Ik heb allerhande ongeschoold werk gedaan, ook in een supermarkt. Daar werd ik chagrijnig en besloot te gaan leven van muziek met een groepje vrienden. We stopten, ieder ging zijn eigen weg. Nu zit ik hier, het is goed. “ 

De onrust werd hem te machtig, hij sloot zijn kamer af en groette mij met de ogen naar de grond.  Can you hear the music?  (Stones, 1972). 

 Column in Haags Straatnieuws #13


Het kind is de vader van de man

Er zijn jonge mensen die niet kunnen meedoen. Ze wonen klein, hebben opvoeders die niet hebben geleerd op te voeden, kennen een leven vol ruzie en onbegrip en stoppen met school. Ze zoeken en vinden een nieuwe identiteit. Onzekerheid kent vele gedaanten en de straat biedt houvast. Weg van de volwassenen met hun administratie, loketten, begeleiders, zorgpakketten, training, instroomcriteria en diagnosen. Leven tussen je maatjes met dezelfde straattaal, kleding en ongeïnteresseerde houding, een biertje, een jointje. Dan ben je tenminste iemand.

Boos, verdrietig, verward, ontredderd door schulden en losgeraakt van familie en vrienden. Stoer, kwetsbaar en soms vervelend. Het levert een ingewikkelde relatie op met hoogte- en dieptepunten. Zo hoorde ik van een jongen van 19, ernstig ziek die zijn medicatie weigerde en lid was van een bende. Zijn vriendinnetje zat in de nachtopvang. Hij raakte niet los van de aantrekkingskracht van buiten. Voor hen geen alternatieven. Ze zijn op weg naar een donker einde.

En die keer dat ik  sprak over die Marokkaanse jongen toen we ‘hoog bezoek’ hadden en de jongeren hadden gekookt. Marokkaans? Hij is 100% Nederlands lachte een medewerker me toe. Hij had zichzelf een zwaar accent aangeleerd en kwam oorspronkelijk uit het oosten van het land. Wat zouden de heren van VWS hebben meegenomen die avond over deze Hollandse jongen die uitstekend voldeed aan het beeld van de niet aangepaste derde generatie immigrant uit Noord Afrika? Misschien kwam hij wel uit Twello. Dat kan nu natuurlijk niet meer. De regiobinding zorgt er ook voor dat we nieuwe dijken bouwen in ons land. Dijken om onze eigen steden. Europa kan je door zonder paspoort. Als dakloze kan je je eigen stad niet meer uit.

De Marokkaans sprekende Gelderse zwerfjongere sterft in Den Haag langzaam uit.

 Column in Haags Straatnieuws #12


Zilverlicht

Rusteloos loopt hij, met snelle tred, door de gangen, zijn hoofd licht gebogen. Zijn vette, sliertige haren, hangen dun over zijn hoofd. Heel af en toe veegt hij ze naar achteren. Met zijn ene hand, in de andere een shagje. Een magere man, die zijn broek opvallend hoog heeft opgetrokken en met een strakke riem om zijn taille heeft vastgezet. Contact heeft hij niet, zijn ogen kijken naar binnen. Daar is het druk. Zo druk dat hij af en toe even stopt om antwoord te geven op de vragen die zijn stemmen hem stellen. Vreemd dat hij zo bezig is en ik in stilte naar hem blijf kijken wanneer hij halverwege de trap plotseling stilstaat en staat te prevelen. Zijn hoofd schuin, zijn rechtervoet op de ene trede en zijn linker twijfelachtig op de trede er onder. Hij lijkt toestemming te vragen om door te mogen lopen. Na een minuut, zegt hij oké en loopt door. Hij passeert me rechts en is eerder boven dan ik.  ’s Middags tref ik hem bij het koffieapparaat. Terwijl hij drie zakjes suiker leegt in het bekertje en hardop aan het praten is, groet ik hem. “Hallo hoe is het met u?” Hij maakt zijn verhaal af, draait zijn hoofd om en zegt “prima hoor” en loopt al roerend in zijn bekertje weer in zichzelf pratend de gang op. Gewend dat zijn verhalen voor ons onhoorbaar zijn. 

Op weg naar huis maak ik nog even een praatje met een andere bewoner. “Ik heb veel broers en zussen en ook twee kinderen maar ik zie ze nooit meer, ook de  kleinkinderen niet. En dat is jammer hoor want mijn dochter heeft erg mooi haar, er straalt zilverlicht van af. Ik heb gelukkig wel een foto van toen ze klein was.” Zijn tong blijft rusteloos heen en weer bewegen in zijn mond. Zijn woorden zijn op. De mijne ook.

(column in Haags Straatnieuws juni 2011)


Echt bier

Onrust op de gang. De gebogen wat stille man voor me, schuifelt zijn traject door de gangen en lijkt niet aangesloten bij het geroezemoes dat de lange grijze gang heeft bereikt. Zorgvuldig plaatst hij zijn voeten op het versleten mintgroene linoleum, handen stram naast zijn lichaam, het bewegen moe. Gestoken in een wijd bruin kostuum passeert hij, schier onbewogen, de gang naar de kapel. Warme kreten - gevat in de blauwgrijze rook van sigaretten – komen me tegemoet. Uit de schaduw van mijn voorganger loop ik op het geluid af. Een kapel vol met mannen staren naar de blinde muur. Op een groot scherm wordt een voetbalwedstrijd geprojecteerd. Het is zomer 2008 en in een voormalige kloosterkapel zitten tientallen mannen, stijf van het buitenleven, met een sigaret tussen de vingers geklemd, “onze jongens” aan te moedigen. De kapel, al lang niet meer het visitekaartje van onze lieve Heer, kreunt onder oranje slingers en steekt met haar goudkleurige bogen schril af tegen haar bezoekers. De aanvalskreten kaatsen tegen de wanden die – en daar ben ik zeker van – op deze momenten terugverlangen naar de stilteretraites van de nonnen. Zwijgen is immers goud en dat is iets waar “onze jongens” zo hun eigen variant op hebben bedacht. Op zulk soort momenten is het geoorloofd met elkaar te verkeren en de eigen sores even opzij te zetten. Doorgaans wordt er bij zulke gebeurtenissen rijkelijk bier gedronken. Dat is voor een aantal van de supporters in een ver verleden wel eens mis gegaan. Geen nood, we zijn een goede afnemer van een alcoholarm evenementenbiertje, dat onder begeleiding geen kwaad kan.

“Hé directeur, ook een biertje?” roept de grootste feestneus me toe. “Nee dank je, ik moet na nog nadenken vandaag” probeer ik nog, wetende dat ik me met dit soort antwoorden niet staande zou houden in deze oranje orgie. “Nou dat hebben we liever niet, dus neem er nou maar één of drink jij echt bier”?

(column in Haags Straatnieuws april 2011)


Bijzonder dichtbij

Een week van twee berichten. Een overlijdensbericht in mijn mailbox: H. was overleden en de datum van zijn begrafenis werd rondgestuurd aan mogelijke belangstellenden. Ik kende de man, niet goed, maar ik kende hem wel. We spraken wel eens alweer een aantal jaren geleden, vooral over hoe de dingen beter moesten. Beter bij ons wel te verstaan. Over zichzelf liet hij zich niet zo uit. Afhankelijk van zijn gemoedstoestand trof ik hem als de getroffene, de gekwetste, de boze of de vriendelijke en radeloze man aan. Hij is uiteindelijk vertrokken.

Het bericht valt op tussen al die andere berichten en zorgt dat er andere overleden cliënten bij me in gedachten opkomen. Met een kop koffie naast me pruts ik wat aan een paperclip en zie ze voor me en denk aan de manier waarop ze zijn gestorven. Vaak zoals we ze hebben leren kennen, alleen.

De post ligt voor me op tafel en leidt me af. Mijn handgeschreven naam en adres sieren een witte enveloppe. Op de tafel tussen de kranten en andere post valt hij op. Ik maak hem als eerste open en verwacht een sollicitatie, een klacht of een aanbieding van een gulle gever die ons wil verblijden met een onverwachte verrassing. Dat laatste wil nog wel eens uitlopen op een teleurstelling. Er zijn gekkere dingen gebeurd de afgelopen jaren. Op de brief valt direct het zelfgemaakte beeldmerk op, het is het kenmerk van iemand die ik heb leren kennen tijdens zijn verblijf bij ons maar ook wel eens ontmoette als hij er niet was en op straat of bij 'de buren' was. Een man met een missie en de behoefte die uit te dragen. Licht polemisch en uitputtend gedocumenteerd, trok hij vaak ten strijde. Hij dook altijd wel weer een keer ergens op. De laatste keer aten we een broodje en wenste we elkaar na een 'goed verhaal' het allerbeste.

In één getypt velletje maakt hij nu duidelijk dat het hem goed gaat en dat hij samen met een vrouw, met een wonderschone naam, aan de vooravond staat van een fantastische Kerst. In hun eigen woning wel te verstaan. Hij wenst me een gelukkig Nieuwjaar. Een prachtige wens die alle glossy en met veel huisvlijt in elkaar geknutselde kaarten, die in tientallen tegelijk binnenkomen deze dagen, in één klap afwaarderen. De ironie is dat hij en de overleden man elkaar kenden. Ik heb ooit samen met ze en anderen aan tafel gezeten om de warme maaltijden – waarover veel klachten waren – te proeven en zelf te ervaren dat ze groot gelijk hadden. In veel opzichten een hilarische winteravond. Pret, verdriet en gedeelde verontwaardiging gingen hand in hand. Een Kerstdiner met bijzondere mensen, dat gun ik iedereen.


Het krullenmeisje

In de auto knalt de enthousiaste stem van de kersverse premier uit de speakers. Zijn oneliner: 'De overheid is geen geluksfabriek', blijft hangen terwijl ik in de lift stap op weg naar de etage waar gezinnen worden opgevangen. Het is druk, er wordt gewerkt aan het vervangen van het versleten linoleum. Voor me staat een grote vrouw, op haar hoofd een gebreid mutsje en aan het oor een telefoon. Onder haar zwarte legging steken de voeten in slippers. Een krullenmeisje klampt zich vast aan haar benen. De vrouw telefoneert luidruchtig; het meisje meeslepend door de gang. Het licht prikt door de met glasverf versierde ramen. Vrolijke figuurtjes benemen het uitzicht op de parkeerplaats van de aanliggende seniorenflat.

De vrouw laat me zwijgend binnen om te kijken. Het lukt me niet goed om naar de vloer te kijken. Haar - inmiddels huilende - dochter en haar doffe blik leiden me af. Snel kijk ik rond, zie het met kleding en plastic tassen overladen bed, ga naar buiten en bedank haar. Afwezig pakte ze het gesprek aan de telefoon weer op. Het krullenmeisje kijkt me aan en met haar donkere behuilde ogen vangt ze mijn blik. Ik wil haar troosten maar loop weg, een zucht verlaat me en resoneert nog lang na. Een door de muur verwrongen babygehuil klinkt zachtjes op de achtergrond als ik de gang afloop. Twaalf volwassen, 16 kinderen en geen huis.

Sommige mensen nemen meer leed in zich op dan anderen. Het is net of de ellende niet wordt afgeweerd maar zonder barrière doordringt in het alledaagse. Een kind, een bron van geluk en verlichting, maakt de noodzaak tot een ritje in de "trein van geluk"groter. Nu eens kijken waar ik een een kaartje kan vinden voor het krullenmeisje. Het loket van de geluksfabriek is immers dicht.


Piet Praat

Al jaren zit hij meerdere malen per dag gehurkt tegen de muur of tegen de radiator in één van de gangen van het oude klooster. Zijn magere lijf ineengedoken, zijn hoofd in zijn handen. Soms kijkt hij op en roept - terwijl hij zijn blik scherp probeert te krijgen - je naam. Hij loopt snel, in zichzelf gekeerd struikelt hij bijkans de trappen af. De te grote broek en overhemd slobberen om zijn magere lijf, haren verward en een gezicht vol rimpels. Hij lijkt altijd haast te hebben, totdat hij zijn favoriete zithouding aanneemt en ineenduikt. Hij lijkt in stilte vragen te stellen, gelijk een filosoof in oude tijden.

Laatst kruisten onze wegen. "Piet, wat kijk je toch ingespannen, zie je wel goed?". Een diepe zucht, rommelende longen en een licht verbaasde blik. "Nee, ik zie niet goed, was laatst bij een arts, wat denk je dat die zegt? Je moet een leesbril!" Een schaterlach vulde zijn grimaserende gezicht, de bewegingsdrang werd groter en nam bezit van zijn hele lichaam. "Wat moet ik nu met een leesbril? Ik lees helemaal nooit!". Na deze nuchtere openbaring was mijn nieuwsgierigheid gewekt en besloot ik vaker een praatje te maken. Een Pietpraatje.

Een paar weken later zag ik hem weer zitten, gehurkt tegen de radiator. Ik probeerde min of meer dezelfde houding aan te nemen, mijn spieren spanden en ik voelde de metalen ribben van de oude radiator in mijn rug prikken. Het water suisde door de metalen ribben van de verveloze verwarming . Piet trok zijn hoofd uit zijn handen en keek me aan. "Ben jij Bram?" vroeg hij en stelde direct de vervolgvraag of ik wist hoeveel geld hij had. "Nee daar ben ik niet van op de hoogte Piet" probeerde ik monter en licht aangeslagen door de normaliteit die Piet aan de dag legde in deze situatie. Ik zit niet vaak in de gang op mijn hurken tegen een verwarming en verwachtte toch dat hij daar minimaal een opmerking over zou maken. Nee hoor, in tegendeel. Er volgde een verhandeling over geld, sparen en de liefde voor zijn zus die hem in zijn jonge jaren heeft verzorgd. Hoewel ze hem – vervolgende hij stoïcijns – zelden heeft bezocht, is zijn spaargeld voor haar. Ze heeft het verdiend. "Heb je nog andere wensen waarvoor je wil sparen?", probeerde ik. Zijn hoofd trok hij rechtop, het grimasseren stopte, hij keek me indringend aan, zijn lach overspoelde zijn gezicht "Nee joh, ik ben al in de tachtig". Daarmee was alles gezegd.

Terwijl ik voorzichtig mijzelf omhoog probeerde te hijsen zonder al te veel een potsierlijke indruk te maken, vroeg ik me (ter afsluiting) af of hij toch liever niet op een stoel zou willen zitten. "Nee hoor, de kachel is lekker warm" zei hij, het hoofd weer beschermend in zijn handen. Of het elk moment kon loskomen van zijn lichaam.

Vijf minuten later stapte ik in mijn auto, Piet reed in gedachten nog een tijdje met me mee.


Bedankt voor het praten

Een drukte op de gang, op het slecht verlichte halletje komen vier mintgroene deuren uit. Achter twee van hen wonen mensen, achter de andere twee werken mensen. De drukte is ongewoon, onze buurmannen redden zich best redelijk. Zeker 'onze dove buurman'. Hij klust wat bij een meubelmaker, bezoekt ziekenhuizen en doet boodschapjes. Bijna dagelijks piept hij even om de hoek, vooral bij mijn collega. In zijn kleine ronde hoofd schitteren ondeugende ogen, hij is klein, gedrongen en stijf. Hij draait niet meer met zijn hoofd maar met zijn hele lijf. Dat doet hij vaak in een poging nog iets met zijn goede oor op te vangen van wat je zegt. Zijn zinnen zijn kort, gewend aan zijn eigen doofheid vraagt hij eigenlijk nooit iets, hij zegt vooral iets. En dat in onvervalst Haags met de daarbij behorende Haagse humor en zelfspot. De drukte op de gang is vanwege hem. Hij is ziek, erg ziek. Alle medewerkers komen hem bezoeken en wringen zich in allerlei bochten op zoek naar oplossingen voor de zich plotseling verergerende situatie. Eén ding staat vast: hij blijft hier tot de laatste snik. "Ik ga mijn kamer niet uit" zei hij vastberaden. Zijn huid kleurde geel, zijn tred werd zwak en hij kwam zijn bed niet meer uit.

Mijn collega liep onlangs bij hem binnen en vroeg of ze nog iets voor hem kon doen. Ze dacht zelf aan het bellen van een 'verloren familielid' of iets dergelijks. Zijn ogen fleurde op; "jazeker kan je wat voor me doen, ik heb trek in een ijsje". Een ijsje als laatste wens. Koud en warm tegelijk. Zelf trof ik hem, een dag voor zijn overlijden aan. Liggend in een diepe slaap, een ingevallen gezicht, de neus spits en een onrustige ademhaling.

De dood, die vele gedaanten kent, werd ongeduldig en nam bezit van zijn lichaam. De volgende dag overleed hij. Op zijn kamer. Medewerkers waren bedroefd, moe, aangeslagen en steunden elkaar. Hij woonde er al tientallen jaren, deelde altijd snoep en fruit uit aan de medewerkers en maakte zijn praatjes. En hoewel zijn geheugen soms wat haperde, kende hij je voorkeuren, voor mij was het 'echte slagersleverworst'. Die kwam hij dan brengen vergezeld van een verhaal over een bezoek aan een dokter die hem weer voor 'jaren had goedgekeurd'. Voor mijn collega bracht hij snoep, koek of een appeltje inclusief schilmesje. Zij heeft er zelfs een trommeltje voor aangeschaft; de laatste weken raakte het leeg. "Bedankt voor het praten" riep hij vaak wanneer je eigenlijk geen tijd voor hem had en het gesprek kort hield. Daar stond je dan.

Een half jaar terug liet ik mijn vrouw en mijn jongste dochter mijn werkplek zien. We kwamen de buurman tegen. Hij keek naar mijn vrouw, naar mij en vervolgens naar de kleine meid; ze was vier. "He kleine. Ik heb voor jou wat lekkers" zei hij en gaf haar een Marsreep. Ze nam het aan en at het in de auto op. De eerste Marsreep in haar leven. Nog herinnert ze die 'oude opa die haar iets lekkers had gegeven op jouw werk'. Ik vertel haar niet dat hij is overleden. Zoveel macht wil ik de dood niet geven.

"Bedankt voor het praten", we zullen je missen.

 


Ode aan de geit

Het – achter twee aaneengeschakelde herenhuizen liggende – voormalig klooster herbergt vijftig bewoners. Zij wonen daar beschermd; letterlijk en figuurlijk. Onzichtbaar voor de buitenwereld pal tegenover de Koninklijke Stallen en dus ook dichtbij onze Vorstin, althans op werkdagen. Zij lijken wel wat op elkaar, de Vorstin en de bewoners van het voormalig klooster. Het zijn buren met begrip voor elkaars situatie. Nu heeft de Vorstin paarden, dichtbij haar werkpaleis. De kloosterbewoners niet. Zij hebben twee geiten en een volière met vogels. Maar de vreugde is er niet minder om. Aan één kant van het gebouw, dat het verweerde cement uit haar voegen aan het persen is, is een voormalige kloostertuin gelegen. Genoeg ruimte. Daar waar knoestige nonnenhanden vroeger de moestuin bewerkten staan nu bankjes, groeien struiken en is er een stukje afgezet voor de geiten. De afgelopen jaren kon men de twee geitjes zien groeien, niet in de hoogte maar in de breedte. Her en der werd wat extra's toegestopt door de bewoners. De geiten, niet snel meer onder de indruk, aten het genadig. Op een dag stond één geit in een positie die wees op een ongemak. Mank. De ingeroepen dierenarts constateerde artrose en obesitas. Het leven als stadsgeit in de beschermde woonomgeving had zijn tol geëist. Met een heus bijvoederverbod en pijnbestrijding werd het leven vergemakkelijkt, tot voor kort de mededeling kwam dat het niet meer zo langer kon. De pijn werd te hevig en de dierenarts adviseerde dat 'inslapen' het beste zou zijn voor het beestje.

Niemand twijfelde aan zijn oordeel, een brief werd opgehangen en het nieuws werd verteld. In de ochtend van het afscheid stond een groepje mannen rondom het hek. Mannen met een geschiedenis die haaks staat op die van de nonnen wiens kamers zij hadden betrokken. Hoewel sommigen van hen ook in stilte leven maar dan niet vanuit overtuiging. Nee, het zijn geen praters, op enkele spraakzame grappenmakers na."Hé directeur, er komt toch wel een nieuwe geit hè?". "Je ruimt toch zeker niet gelijk de boel op? Pas op hoor anders kom ik in opstand". Gelach vulde de stilte. Stoere taal van mannen die met bruine vingers van het roken, en met een leven doortrokken stem, tegen het hek leunden en zich – kijkend naar het geitje – groot hielden. "Er komt nieuwe have!" Riep ik en vluchtte in de schaduw van de enorme bomen die met hun takken in de hemel wortelden.

Helaas hebben we geen ruimte voor een paard. Jammer, het is bijna zeker dat wijlen Prins Bernard, wiens foto niet zou misstaan in één van de eetzalen, schalks zou lachen en zijn dochter zou aanmoedigen edelmoedig een paard te detacheren Het nobele dier zal zijn makkers bij goed weer aan de overkant horen briesen. Het zal niet zover komen, een maatje voor de overgebleven geit is goed genoeg. Daar doen we het mee. Ook voor een geit geldt immers dat alleen maar alleen is.


Zeggenschap in stilte

Schuivende stoelpoten over een met zeil bedekte houten vloer. Het vale TL licht bescheen de formica tafels die tegen elkaar geschoven maar geen geheel wilde worden. Tweeduizendzeven, roken mocht nog. De vergadering begon onder luid gehoest van de voorzitter. Onzeker naar de ondersteuner kijkend begon hij met een opmerking over een niet geagendeerd onderwerp. "Ik hoor dat de keuken dicht moet, u heeft dat gezegd en daar zijn we het niet mee eens". Ik trok mijn gezicht naar achteren, weg uit de rookwalm. Hij vervolgde: "het eten is hier goed en dat moet zo blijven". Triomfantelijk keek hij boven zijn bril uit en legde de agenda met trillende vingers naast zich neer. De eerste vergadering met de cliëntenraad in voormalig sociaal pension Tichelaar was gestart. Tien man sterk had zich – met hulp van een professionele ondersteuner – verzameld in een kamer. Negen van hen rookten. Zware goedkope shag rolde door de bruine vingers. Bijval van de heren, ja het eten is goed, prima zelfs! Een man zat voorovergebogen en hield zijn sigaret in een kenmerkende greep vast tussen twee vingers. Zijn arm hield hij boven zijn hoofd, de rook kringelde naar boven en zocht het licht. Zijn zeggenschap verborgen in stilte. Ik beloofde de keuken voorlopig niet te sluiten en als ik dat een keer van plan zou zijn dan zou er instemming van de cliëntenraad nodig zijn. Mijn relaas werd onderbroken."Ja, ja mooie praatjes maar u sluit hem toch", riep een kale man die – gelet op zijn stemvolume – gewend was aan dovemansoren. Vermoedelijk wel op termijn riep ik – inmiddels te luid pratend – door de rook heen. De ondersteuner, niet gewend aan sigarettenrook – kreeg een wit/groene kleur op zijn gezicht en probeerde de structuur er weer in te brengen. Iedereen sprak nu over verschillende onderwerpen, de voorzitter zweeg en leek zich niet bewust van wat er gaande was. Een rookpauze inlassen was zinloos, een adempauze daarentegen zou meer soulaas bieden. 

De gebogen man bewoog, zoog traag en lang aan zijn sigaret, as viel op tafel. Hij wilde wat zeggen. Stilte. "Uuh, zullen we de agenda afwerken"? piepte de inmiddels ongezond uit zijn ogen kijkende ondersteuner. "Ja goed idee", werd er geroepen "kom op voorzitter actie!" De voorzitter hernam het woord, hij werkte twijfelend de lijst af en leek zijn kruid te hebben verschoten. Plotseling keek hij mij met felle ogen aan en kondigde zijn vertrek aan. "Ik stop ermee, zoals u weet ga ik binnenkort naar het buitenland", hij draaide aan zijn ring met daarin een bruinkleurige grote steen. Gemopper om hem heen: "daar hebben we hem weer, met zijn idiote verhalen". Het raakte hem niet. Ik wenste hem veel succes, bedankte hem voor zijn inzet en schudde hem de hand en een goede reis. Op weg naar buiten, hoorde ik "fijne avond mijnheer Schinkelshoek", de gebogen man had zijn hoofd mijn richting gedraaid. Zijn ogen keken mijn twinkelend aan, tussen zijn vingers een afgebrande sigaret. "U ook".

De keuken is vorige maand - met instemming van de cliëntenraad- gesloten. Er wordt tijdens vergaderingen niet meer gerookt. De voorzitter is niet naar het buitenland vertrokken maar korte tijd later plotseling overleden. Hij bleek een dochter te hebben.