Actualiteit

Tijd voor bezinning?

Er is een rapport van de commissie Dannenberg (van Beschermd Wonen naar Beschermd thuis) dat in opdracht van de VNG is geschreven. Het rapport is een aansprekend vergezicht en wordt alom omarmd. Het gaat uit van het principe dat de zorg naar de mensen thuis moet komen (vanuit de vraag) en niet aanbodgericht in een Beschermde woonvorm of Maatschappelijke Opvang moet worden georganiseerd. Dat past in de vermaatschappelijking van de zorg. Vanwege de kwetsbaarheid van de mensen over wie het gaat en de complexe uitvoering wordt er een periode van 15 jaar uitgetrokken voor deze transitie. Centraal staat de eigen kracht van de burgers en het beroep op het zelforganiserend vermogen en sociale netwerken. Uiteindelijk zal dat leiden tot minder intramurale voorzieningen omdat mensen in een waaier van woonvarianten wonen en flexibel ondersteund worden. Als het echt niet anders kan is er Wet langdurige zorg als een ultimum remedium. 

Aansprekend met een enkele mits en maar. Om ‘je zelf te organiseren’ moet je over vaardigheden beschikken. Die zijn niet bij iedereen ontwikkeld of inzetbaar door bijvoorbeeld ziekte of een alles overheersende stress door de situatie waar men in terecht gekomen is. Het terugvinden van de autonomie, het gevoel weer mee te mogen en kunnen doen in de samenleving en perspectief zien is voor veel mensen zeker haalbaar. Maar het kost tijd en de omgeving moet er op worden afgestemd. 

Er staat ook een opmerking in die vandaag de dag heel actueel lijkt. “De keerzijde van de vermaatschappelijking – zoals bekend van de geestelijke gezondheidszorg in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw - kan immers bestaan uit zelfverwaarlozing, eenzaamheid, geldgebrek om mee te doen, stigmatisering en verwardheid op straat.”

Er is nog een rapport. Het feitenrapport van de Haagse Rekenkamer over hoe de systemen functioneren voor de opvang en begeleiding van mensen die dakloos zijn. Het geeft inzicht hoe een en ander is geregeld in Den Haag (en in Amsterdam waar ook zo’n rapport is verschenen). Rotterdam en Utrecht volgen. Het zal daar vast niet anders zijn. De uitkomsten staan haaks op de gedachte dat er voor iedereen een plek in de wijk is. Betaalbare woonruimte, regie, ondersteuning bij problemen met administratie, gezondheid en dagbesteding en een steunend netwerk voor als het ‘even niet meer gaat’ is makkelijker opgeschreven dan uitgevoerd, zo blijkt. 

En nu is er ook een derde rapport. Om het beeld zo compleet mogelijk te maken hebben we, samen met het Leger des Heils, een onderzoek laten doen onder de mensen die zijn aangewezen op de opvang. We waren nieuwsgierig over wie zoveel geschreven wordt. Wie zijn de mensen in de noodopvang? Wat ze mankeren ze, hoe voelen ze zich en waar hebben ze behoefte aan? Het rapport wordt maandag 12 februari aan wethouder Karsten Klein aangeboden. Het onderzoek bevestigt, in samenhang met de uitkomsten van het Rekenkamer rapport, nadrukkelijk de noodzaak in actie te komen. Het is wat mij betreft ook tijd voor bezinning. Laten we nog eens goed stil staan bij wat nodig is om de vermaatschappelijking in onze sector door te voeren en geen voorzieningen sluiten voordat die waaier aan woonvormen en kwalitatieve ondersteuning er ook daadwerkelijk is. Als dat goed geregeld is en er is voor een kleine groep mensen voor wie begeleid thuis wonen niet mogelijk is een passend aanbod binnen de Wet langdurige zorg, zal het op den duur rustiger worden op straat en kan de overloopvoorziening aan de Zilverstraat als eerste dicht. 

Tot die tijd zetten we extra bedden bij omdat we in Den Haag nu eenmaal niemand op straat willen laten slapen. Een ultimum remedium. 


Leendert

Tegen de gevel vindt het onkruid zijn weg omhoog, de afvalemmer zit overvol met blikjes en plastic tasjes en het papiertje met de openingstijden erop krult van het glas af. De nachtopvang of beter de crisisopvang is weer leeg. Althans bijna leeg. Medewerkers krijgen het de laatste tijd steeds moeilijker om mensen naar buiten de sturen met ‘tot vanmiddag.’

Draaiend aan een sigaret sprak hij hardop tegen niemand in het bijzonder. Zijn magere benen over elkaar geslagen, zijn metalen bril scheef op zijn gezicht. Hij sprak geen Nederlands en bleef binnen omdat hij de dag er voor buiten op de stoep in elkaar geslagen is en beroofd van zijn de weinige spulletjes die hij had. “Hij is zeer kwetsbaar, nu ook gewond, verward en kan zich niet verweren’ zo vertelde me een medewerker zijn verhaal. “En het meisje dat je daar ziet heb ik ook binnen gehouden. Ze heeft een licht verstandelijke beperking, gaat met jongens mee omdat ze lief voor haar zijn en haar geld geven voor seks  en bovendien wil ze graag een kindje om voor te zorgen. Er zijn er al twee kinderen bij haar weggehaald door de kinderbescherming. Ik laat haar overdag binnen, dan is ze tenminste veilig.”

Zo maar twee verhalen; er zijn er nog veel meer. Soms beschermen we mensen. Hun kwetsbaarheid is groter dan hun mentale of fysieke weerstand tegen anderen die kwaad in de zin hebben. Aan de andere kant grijpen we in wanneer mensen ons of mede-cliënten bedreigen, slaan of uitschelden. Veel middelen om dat te doen hebben we niet bovendien willen we liever voorkomen dat het uit de hand loopt en mensen laten leren van disfunctioneel gedrag. Ze zijn immers niet voor niets bij de Kessler Stichting terecht gekomen. Dat vraagt om genuanceerde aanpak, doortastende mensen die precies aanvoelen hoe te handelen tussen handhaven en zorgen. Vakmensen.

Onlangs namen we afscheid van zo’n vakman. Leendert, een van onze portiers. Een rasechte Hagenees die altijd op het juiste moment de juiste beslissingen wist te maken. Zorgzaam als het leed te veel werd en beschermend wanneer een sterke arm nodig was. Leendert staat symbool voor vakmensen, moedige mensen die lef combineren met zorgzaamheid en empathie. Leendert gaat met pensioen; dat is hem gegund. Cliënten hebben geld voor hem opgehaald en een kaart gekocht. Het is ontroerend en hoopgevend tegelijk en vooral een groot compliment.


Zijn ze gek geworden?

Het was een Winterse namiddag in 1971, toen ik, elf jaar oud, op pad was met mijn lagere schoolklas en de jonge leraar, meester Kees. Hij had, in zijn jeugdig enthousiasme de schooldirecteur van deze school met de Bijbel, overgehaald eens iets spannends te doen. Misschien was het feit dat de school een jaar later haar deuren moest sluiten vanwege de komst van een ‘nieuwe wijk’ verderop in de stad wel van invloed op zijn  behoudende geest. Hij stemde in, de bus werd besteld.

We vertrokken naar Scheveningen. Dat was sowieso een avontuur. Mijn reis naar de kust was steevast die met bus 23, naar Kijkduin. Scheveningen was’ de andere kant op’ zoals mijn vader zei. ‘En die kant gaan we niet op.’ Heldere taal van een man voor wie eenvoud een levenskunst was. De bus stopte voor een theater. Nog nooit had ik een museum, theater of schouwburg van binnen gezien. Mijn culturele ontwikkeling was begonnen en blijven hangen in Euro Cinema en een enkele keer naar Du Midi (maar dat was de andere kant op dus niet vanzelfsprekend).

In het donker giechelden de meisjes en zwegen de jongens op zoek naar een plekje op de stijle tribune. Jongens naast de jongens, meisjes naast de meisjes en meester Kees er tussenin. Op de vloer voor ons lag zand, hoewel ik dat niet meer zeker weet. De lichten doofden. De Storm van William Shakespeare stond op het programma, een try-out. Van deze magische vertelling begreep ik niets. Verwarring en verbijstering vochten om voorrang. De blik in de ogen van mijn klasgenootjes brachten geen rust. Ben Hur in Euro Cinema leek ver weg. Na de voorstelling kregen we een glaasje fris en mochten we pelpinda’s eten die op de bar lagen. De schillen ‘moest’ je op de grond gooien. Dat voelde als een daad van verzet, met enige spanning deed ik meester Kees na. Bij mij thuis werd stof en vuil immers met vuur en zwaard bestreden. Gelukkig was er een sluitende verklaring ‘de schillen absorberen het vuil en dat vegen ze met schil en al aan het eind van de avond op’ aldus de jonge meester. Vol overtuiging gooide ik de schillen op de grond. Warm van de kou reden we terug naar huis. Mijn hoofd drukte ik tegen de bewasemde ruit. De stad gleed van mijn af. Eenmaal thuis hoorde mijn moeder mij vol ongeloof aan. Het meeste onder de indruk van het pinda verhaal.‘Zijn ze gek geworden?’

Inmiddels, 45 jaar later, laat ik mijn kinderen regelmatig ons mooie stad zien. Scheveningen is daar een vanzelfsprekend onderdeel van. Onlangs nog liep met een van mijn dochters van de tramhalte naar de haven. ‘Kijk, daar is het Appeltheater. Daar heb ik goede herinneringen aan. Hier begon mijn culturele leven en mijn functionele kennis van pelpinda’s, knipoogde ik er achteraan.’ Zij, als professionele danser opgeleid in Den Haag en gewend te werken met onzekere subsidies, stuurde vorige week een berichtje. ‘Pap heb je het gelezen van het Appeltheater?’ Dat had ik, dat had ik.


Hij was er blij mee

Op de grond zittend, met haar rug tegen de ruit van een fonkelend ingerichte etalage, toont ze de stomp van haar geamputeerde linkerbeen. Ze bedelt. Voor de tweede keer in een korte tijd bezoek ik een stad in Schotland. Daar in het mistige noorden van het eiland, waar overal de Schotse vlag naast de Union Flag hangt, bedelen mensen voor het oog van iedereen. Meestal mannen met een plastic bekertje waar het geld in kan worden gestopt. Op de lange trap die mensen naar de hoog gelegen winkelstraat brengt een man die op zijn hurken met zijn hoofd tussen zijn knieën een bekertje vasthoudt. Eenmaal de trap op of af, is er geen ontsnappen meer aan. Een strategische plek.

Soms iemand die er meer werk van maakt: een hond met in zijn bek een pet waarin voorbijgangers, ontroerd door deze aanblik, geld stoppen en de hond aaien. De eigenaar blijft op de achtergrond zitten met een deken over zijn benen. Of de man met amputaties aan beide benen, die recht tegenover een oorlogsmonument, zich presenteert als iemand die gediend heeft. Hij krijgt zijn deel.

De vrouw zonder been kijkt mensen zo direct mogelijk aan, vouwt haar handen voor haar hart en zegt ‘please.’ Bij een gift in haar bekertje, werpt ze kinderen steevast een kushandje toe. Nadat de gever is verdwenen, pakt ze snel het geld en stopt het in een van de zakken van haar vesten. Ze draagt er wel drie. Op het moment dat het me te ongemakkelijk wordt om te blijven kijken, stopt er een zwarte Audi. Een man in een pak stapt uit, loopt op de vrouw af en geeft haar geld. De man rekt zich uit, kijkt om zich heen en stapt de auto weer in. De vrouw verblikt of verbloost niet.

Ons vertrek nadert. Mijn negenjarige dochter pakt haar roze portemonnee en zegt ‘ik ga dit aan een zwerver geven.’ Ik tel zo acht pond en vraagt of ze alles wil geven. Nou, bijna alles zegt ze en grijpt de meeste muntjes en stopt ze in haar zak. We slenteren door de straten, passeren doedelzakspelers, acrobaten, sieraadverkopers en living statues. Geen zwerver te vinden. Bij het afscheid stopt ze het geld in de handen van haar oudere zus die achter blijft en zegt ‘geeft het maar een zwerver waarvan jij denkt dat die er blij mee is.’  Twee dagen later een berichtje: ‘gedaan, hij was er erg blij mee.’


Dat is goed om te horen

De bruine bakstenen muur met de grijze rechthoekige voegen is het uitzicht van haar kamer naar de gang. Een plaatje van een vaas met bloemen zit gevangen achter spiegelend glas in een witte lijst. Ze wacht op mij, met haar gegipste been echt vooruit op een steun van de rolstoel. Mijn moeder. ‘Gelukkig mag ik naar huis’, zegt ze, nadat ik haar heb begroet. ‘Het was thuis met dat been niet gelukt, maar ik wil echt graag naar huis, begrijp je? Zo leuk is het hier nu ook weer niet en dat beetje fysiotherapie stelt immers niet veel voor. Ik ben daar geloof ik niet meer voor verzekerd.’

We drinken een laatste kop koffie, schudden handen en laten de afdeling Kort verblijf in het voormalige verzorgingshuis achter ons. Met de gehuurde rolstoel en de destijds aangeschafte rollator van pa achterin de auto. De “hulp”, zoals mijn moeder de huishoudelijke ondersteuning consequent noemt, gaat spoedig starten. De buren brengen bloemen. Brieven en brochures van het CAK, het CIZ en de zorgorganisatie liggen opgestapeld te wachten.

Regelmatig doet mijn moeder verslag over gesprekken die ze voert met de gemeente over de inzet van de huishoudelijke hulp, de zorgorganisatie over de verzorging en de praktijk voor fysiotherapie over hoe te oefenen en vooral ook waar? Elke zondag praat ze me bij over haar belevenissen op dit vlak. Steeds vaker overhandigt ze me een stapel post. “Wil jij die rekeningen betalen met de computer? En weet jij waarom die gemeente wil weten hoeveel kinderen ik heb en waar ze wonen? Wat is dat voor flauwekul, ik begrijp het niet, ik heb nog nooit wat gevraagd aan ze.’

 Mijn moeder, een krasse en zelfstandige dame van 83 jaar, heeft in drie maanden contact gehad met een kliniek voor orthopedie, twee ziekenhuizen, de huisartsenpraktijk, het laboratorium, de apotheek, de fysiotherapie, de afdeling Kort verblijf, de thuiszorgwinkel, een internetwinkel voor speciale schoenen, het WMO loket, het CAK en diverse specialisten. Blijf dan maar eens rustig.

Een nieuwe heup en een herstelde beenbreuk verder loopt ze, weliswaar met de rollator van pa, zelfstandig en is ze thuis. Bij het schoonhouden van haar woning wordt ze geholpen. ‘Je weet, mijn huisje is mijn alles maar het moet wel schoon zijn. Ik heb nu een frisse leuke meid. Ze heeft gezegd dat ze bij me mag blijven, daar ben ik zo blij mee.’ Ik leg mijn hand even op de hare, sta op en pak de post.

‘Dat is goed om te horen ma. Dat is echt goed om te horen.’ 


De Smulhut

Midden in een woonwijk is een gebouw neergezet. Winkels vinden er hun onderdak en delen met elkaar een overdekte ruimte en buiten een parkeerplaats waar wekelijks een kaasboer te vinden is in zijn witgrijze aanhangwagen. Een bloemenzaak, een drogist, een chinees (alleen afhaal) een 'van alles wat winkel', pizzeria en een supermarkt. Het is van een diepe treurigheid. Achter het gebouw staat nog een snackbar – 'De Smulhut"- pal naast het gezondheidscentrum, hetgeen het beeld alleen nog maar indringender maakt. Het - met een armetierig hegje - omheind parkeerterrein verbindt dit alles aan elkaar. Alles is verzonnen en gebouwd ergens eind jaren negentig. Je kan het zien aan de bomen; ze buigen nog in de wind. Honderden mensen persen zich dagelijks door de groene schuifdeuren om karren vol te stoppen, hun kinderen mee te sleuren langs verleidelijke schreeuwende aanbiedingen of om hun verzameling zelfmedicatie van dr. Vogel te verrijken met een nieuwe belofte van het eeuwige leven. Een enkeling koopt een Azalea of chrysanten.

Rechts achter de deuren staat een vrouw (soms zit op een krukje). Ze houdt straatkranten tegen haar borst en kijkt voor zich uit. Ze kijkt maar het is net of ze ons niet ziet; hetgeen overeenkomt met hoe de meeste mensen haar zien. De blikken gaan langs haar en zoeken een ander ijkpunt. Het is alsof ze plotseling in een vreemde omgeving is neergezet. Ze spreekt onze taal niet waardoor het geroezemoes haar niet tot een vredige rust brengt; in tegendeel. De markt waar pratende mannen en vrouwen tussen de geurende kraampjes lopen en onderhandelen over de prijs en kwaliteit, is hier vervangen door in plastic verpakte groenten, vlees, vruchten en duizenden andere producten in een foeilelijk gebouw met tl verlichting waar de communicatie voornamelijk bestaat uit het piepen van de streepjescodes. Alles is voorzien van een houdbaarheidsdatum en keurig gerangschikt op thema, prijs of temperatuur. Als een achteloos neergezet kunstwerk, staat ze te midden van winkelend publiek. Een Madonna met straatkranten op haar arm. Paarlen voor de zwijnen. Hoewel een enkeling een kopje koffie komt brengen.

Wanneer iemand uit de nevelen stapt en aangeeft een straatkrant te willen kopen, lacht ze zachtjes zoals een oma naar haar kleinkind, geeft de krant en houdt haar hand op. De mouw van het jasje valt terug en laat op haar bleke onderarm vervaalde tatoeages zien. Ze zijn in een kleur aangebracht, een kleur die zich ophoudt tussen grijsblauw en staalzwart. Ze omklemt het geld en stopt het weg in een van haar zakken. Ze pakt een nieuwe krant en neemt haar pose weer in. Dat gaat misschien 20 keer op een dag zo en als ze dat vijf dagen per week volhoudt zal ze er € 65,-- aan over houden. Ze zal haar verdiende geld niet uitgeven in De Smulhut denk ik of de blozende kaasboer uit Stolkwijk vragen om een plat stukje voor bij de buis.

Ze drinkt druppels van onze overvloedige bronnen; er is geen reden daarin te spugen.


Het krullenmeisje

In de auto knalt de enthousiaste stem van de kersverse premier uit de speakers. Zijn oneliner: 'De overheid is geen geluksfabriek', blijft hangen terwijl ik in de lift stap op weg naar de etage waar gezinnen worden opgevangen. Het is druk, er wordt gewerkt aan het vervangen van het versleten linoleum. Voor me staat een grote vrouw, op haar hoofd een gebreid mutsje en aan het oor een telefoon. Onder haar zwarte legging steken de voeten in slippers. Een krullenmeisje klampt zich vast aan haar benen. De vrouw telefoneert luidruchtig; het meisje meeslepend door de gang. Het licht prikt door de met glasverf versierde ramen. Vrolijke figuurtjes benemen het uitzicht op de parkeerplaats van de aanliggende seniorenflat.

De vrouw laat me zwijgend binnen om te kijken. Het lukt me niet goed om naar de vloer te kijken. Haar - inmiddels huilende - dochter en haar doffe blik leiden me af. Snel kijk ik rond, zie het met kleding en plastic tassen overladen bed, ga naar buiten en bedank haar. Afwezig pakte ze het gesprek aan de telefoon weer op. Het krullenmeisje kijkt me aan en met haar donkere behuilde ogen vangt ze mijn blik. Ik wil haar troosten maar loop weg, een zucht verlaat me en resoneert nog lang na. Een door de muur verwrongen babygehuil klinkt zachtjes op de achtergrond als ik de gang afloop. Twaalf volwassen, 16 kinderen en geen huis.

Sommige mensen nemen meer leed in zich op dan anderen. Het is net of de ellende niet wordt afgeweerd maar zonder barrière doordringt in het alledaagse. Een kind, een bron van geluk en verlichting, maakt de noodzaak tot een ritje in de "trein van geluk"groter. Nu eens kijken waar ik een een kaartje kan vinden voor het krullenmeisje. Het loket van de geluksfabriek is immers dicht.


Ode aan de geit

Het – achter twee aaneengeschakelde herenhuizen liggende – voormalig klooster herbergt vijftig bewoners. Zij wonen daar beschermd; letterlijk en figuurlijk. Onzichtbaar voor de buitenwereld pal tegenover de Koninklijke Stallen en dus ook dichtbij onze Vorstin, althans op werkdagen. Zij lijken wel wat op elkaar, de Vorstin en de bewoners van het voormalig klooster. Het zijn buren met begrip voor elkaars situatie. Nu heeft de Vorstin paarden, dichtbij haar werkpaleis. De kloosterbewoners niet. Zij hebben twee geiten en een volière met vogels. Maar de vreugde is er niet minder om. Aan één kant van het gebouw, dat het verweerde cement uit haar voegen aan het persen is, is een voormalige kloostertuin gelegen. Genoeg ruimte. Daar waar knoestige nonnenhanden vroeger de moestuin bewerkten staan nu bankjes, groeien struiken en is er een stukje afgezet voor de geiten. De afgelopen jaren kon men de twee geitjes zien groeien, niet in de hoogte maar in de breedte. Her en der werd wat extra's toegestopt door de bewoners. De geiten, niet snel meer onder de indruk, aten het genadig. Op een dag stond één geit in een positie die wees op een ongemak. Mank. De ingeroepen dierenarts constateerde artrose en obesitas. Het leven als stadsgeit in de beschermde woonomgeving had zijn tol geëist. Met een heus bijvoederverbod en pijnbestrijding werd het leven vergemakkelijkt, tot voor kort de mededeling kwam dat het niet meer zo langer kon. De pijn werd te hevig en de dierenarts adviseerde dat 'inslapen' het beste zou zijn voor het beestje.

Niemand twijfelde aan zijn oordeel, een brief werd opgehangen en het nieuws werd verteld. In de ochtend van het afscheid stond een groepje mannen rondom het hek. Mannen met een geschiedenis die haaks staat op die van de nonnen wiens kamers zij hadden betrokken. Hoewel sommigen van hen ook in stilte leven maar dan niet vanuit overtuiging. Nee, het zijn geen praters, op enkele spraakzame grappenmakers na."Hé directeur, er komt toch wel een nieuwe geit hè?". "Je ruimt toch zeker niet gelijk de boel op? Pas op hoor anders kom ik in opstand". Gelach vulde de stilte. Stoere taal van mannen die met bruine vingers van het roken, en met een leven doortrokken stem, tegen het hek leunden en zich – kijkend naar het geitje – groot hielden. "Er komt nieuwe have!" Riep ik en vluchtte in de schaduw van de enorme bomen die met hun takken in de hemel wortelden.

Helaas hebben we geen ruimte voor een paard. Jammer, het is bijna zeker dat wijlen Prins Bernard, wiens foto niet zou misstaan in één van de eetzalen, schalks zou lachen en zijn dochter zou aanmoedigen edelmoedig een paard te detacheren Het nobele dier zal zijn makkers bij goed weer aan de overkant horen briesen. Het zal niet zover komen, een maatje voor de overgebleven geit is goed genoeg. Daar doen we het mee. Ook voor een geit geldt immers dat alleen maar alleen is.


Vergaderen op locatie: de bouwkeet

Langzaam draaide de schroef in de aarde. Plaats voor het storten van een betonnen paal voor het fundament van ons nieuwe hoofdgebouw. Mannen in een kuil, kleurige helmen op, wijzen zwijgend de orders door. Op het 'droge' staan felgroene containers op elkaar gestapeld met een ijzeren trap er aan vast geklonken. Het kantoor, of liever gezegd, de bouwkeet. Een nieuw avontuur tegemoet; een bouwvergadering op locatie. Binnen enige verwarring, mannen die niet of nauwelijks hun blik van de papieren afwenden, deuren die allemaal op elkaar lijken en geen enkel aanknopingspunt. Halverwege gokte ik het erop, een ruimte met een tafel en stoelen. Nam plaats en zag zo'n acht mannen en een vrouw binnen druppelen. Mijn collega nam naast mij plaats. Door het raam scheen de zon de kamer warm en schitterde op de plastik helmen van de bouwmannen buiten. Iets maakte een kabaal, een aggregaat een pomp? Onbekend met dergelijke geluiden probeerde ik in te schatten wie er allemaal was en wat ze kwamen doen. Na een korte voorstelronde begon het overleg, de koffie brandde door het plastik bekertje heen mijn handen.

Links van mij een man in hemdmouwen, groot horloge en dito stembereik. Hoewel hij geen voorzitter was nam hij spoedig de leiding. Nog inschattend wat zijn rol precies was werd de aandacht getrokken door een tweestrijd tussen twee onderaannemers/adviseurs. Het was mij om het even waar ze precies verantwoordelijk voor waren maar heel erg met elkaar eens waren ze het niet. De gesprekken liepen sowieso niet via de voorzitter. Nee hier golden andere regels. Regels van de bouwkeet. "ik heb andere tekeningen dan jij" en "dat kan niet" pikte ik op als de kern van de discussie. Meer mensen gingen er zich mee bemoeien en uiteindelijk deden mijn collega en ik mee. Je kan moeilijk stil blijven als het continue over het gebouw gaat wat onder onze neuzen werd gebouwd. Hoewel de essentie van het geschil mij was ontgaan besloot ik met 'laten we het uitzoeken'. Wel vaker een succesvolle afronding.

Nadat de hormoonhuishouding weer enigszins op orde was en er afspraken waren gemaakt, ontpopte de voorzitter, sloeg zijn vaderlijke vleugels uit en vatte één en ander samen. We werden bedankt, de vergadering ging verder zonder ons. Bij het afscheid bedankte ik een ieder en beloofde hen vaker te komen. Hoewel het enthousiasme niet wederzijds was kon men de lol er wel van inzien. Buiten voelde ik me ontheemd, bouwmateriaal ontwijkend en stof happend, ontving ik weer die bouwgeluiden luid en duidelijk. Dat gebouw komt er wel dacht ik en zwaaide naar iemand die niet naar mij zwaaide maar naar iemand in een kraan. Onhandig stapte ik in mijn auto, ik ben zeker van plan terug te komen. Na de zomer, wanneer de eerste verdieping staat, schuif ik weer aan desnoods met helm.


Kijkgroen

Terwijl om me heen de bouwgeluiden tegen de wanden van de omringende huizen weerklonken, stapte ik, genietend van het prille zonlicht, de auto uit en verbaasde me dat ik zo dicht bij mijn afspraak kon parkeren. In een voormalige huiskamer van een pand aan de rand van het Viljoenpark (Transvaal) is een vergader/werkplek ingericht waar het stadsdeelbestuur gebruik van kan maken. Een politieagente passeerde me op de weg naar buiten. Een hartelijke ontvangst van gemeentewege viel me vervolgens ten deel. Aan de geschikte tafels waren mijn collega en ik de laatste van de negen genodigden.

Afkomstig uit diverse instellingen (op een buurtbewoner na) en allemaal min of meer betrokken bij het Viljoenpark. Een park dat in mijn beleving zijn weg naar boven bloeide en parmantig lag te zijn tussen de straten er om heen waar wekelijks nieuwe woningen worden opgeleverd. De volkswijk van destijds wordt aangepast aan de moderne tijd. Nieuwe huizen, groter, duurder en minder inwoners dan voorheen en her en der een mooi stukje beleidsmatig en planologisch bedacht groen er tussen. Aan de kopse van het Viljoenpark komt de 'achterkant' van het nieuwe hoofdgebouw van de Kessler Stichting, dat haar deuren daar in 1924 reeds opende en dat in 2012 graag weer doet maar dan in een nieuw hoofdgebouw. Nu is het nog een bouwput met een paar portocabines waar tijdelijk elke nacht 75 mensen worden opgevangen, dakloze mensen om precies te zijn.

Doel van de bijeenkomst is de overlast die 'onze cliënten', in het park zouden veroorzaken, te bespreken.

De buurtbewoner bracht de sfeer er goed in met de foto's van een man die uren op een bankje voor zijn huis had zitten slapen. Bewijsmateriaal, uit zijn huiskamer gefotografeerd. "Pas om 22.00 's avonds werd hij door de politie wakker gemaakt". Droogjes vroeg ik me af wat hem weerhouden had de man aan te spreken die kennelijk vlak voor de finish (de nachtopvang is 50 meter verder) was gestrand maar richtte me tot de voorzitter die een toonbeeld bleek van besluitvaardigheid, zij vroeg zich af "om wat voor aantallen" het ging."Nou", zuchtte de lokale veldwachter, "laten we niet overdrijven, het zijn er maar vier. Ik ken ze ook, ze komen uit de nachtopvang en gaan daar vaak zitten een paar uur voordat de nachtopvang open gaat." Met enige schroom keken we elkaar aan. "Misschien is het straatteam op de hoogte van het feit dat deze mensen zich ophouden in het parkje?", probeerde ik nog hoopvol. Helaas, dat wist niemand van de aanwezigen. De mannen van de welzijnsorganisatie Zebra (what's in a name) die hangjongeren aanspreken wilde nog wel even aanroeren dat de 12 minners de daklozen tegen het lijf lopen wanneer de school uit gaat. "En dat wil je natuurlijk niet." En dat de oudere jeugd zich vooral ophoudt buiten het park in een aangrenzende speeltuin.

Nog enigszins beduusd van het gemak waarmee de 12 minners werden genoemd door de mannen van Zebra, drong het tot me door dat de buurtbewoners met name bezorgd waren over de aanwezigheid van volwassenen/hangjeugd die niets in de speeltuin te zoeken hadden. Begrijpelijk leek me en zag toen pas, op de foto van mijn buurman, dat de speeltuin niet in het park stond maar er buiten. Daardoor kon de speeltuin niet worden afgesloten, om het park staat een hek dat 's avonds om 22.00 dicht gaat. Een beetje 12 plusser komt dan pas goed op gang en pakt wat verloren jeugdmomenten terug schommelend en blowend op de wipkip. Ik zag het voor me en kon mijn verbazing over de plek van de speeltuin buiten het park dan ook nauwelijks voor me houden. Mevrouw de voorzitter – mijn ingehouden verbazing goed aanvoelend - nam een diepe teug lucht en lispelde dat 'er door knappe koppen goed over nagedacht was', de wijk heeft er KIJKGROEN bij en aangezien het hele project nog niet was overgedragen aan het stadsdeel waren haar handen gebonden. Om de aandacht wat te verleggen werd de buurtbewoner terstond benoemd tot voorzitter van de wijkvereniging in oprichting en beloofde we het initiatief te nemen om de vier mensen die om de een of andere reden eerst naar het groen willen kijken alvorens te worden opgenomen voor een nachtje slapen aan te spreken; hoewel mij de noodzaak daarvan inmiddels was ontgaan.

Mijn collega en ik liepen naar buiten en zagen om de hoek het besproken Viljoenpark. We besloten 'the crime scene' eens even te bekijken. Het was 16.00, naast ons op een bankje een keurig verzorgde jongeman. Oordopjes in, petje op, sportschoenen en een rugtas. Hij knikte gedag en liep richting de nachtopvang. Achter ons een smalle strook groen waar kinderen met een bal speelden. Voor ons een halve hectare aarde met daarin allerlei planten. Groen om naar te kijken.

Geen park, geen gras, geen mensen die overdag onder bomen in de schaduw lummelen, spelen, praten, BBQ-en of voetballen. Wel banken waar je op kan zitten kijken, kijken naar het groen, dat dan weer wel.


Inzicht geeft uitzicht

Landgoed Te Werve

Maandag was ik op het Landgoed Te Werve in Rijswijk. Voor de buitenstaanders: een prachtige plek met water, bosschages, oude bomen, een duiventoren, grind en - een enigszins aangetast door de tijd - een wit hoofdgebouw. Ik was daar niet alleen. Met zo'n 35 mensen van (de gastheer) woningcorporatie Staedion en tal van maatschappelijke samenwerkingspartners. Staedion wilde antwoorden op de vraag: hoe houden we de voorzieningen op peil in de (kwetsbare) wijken terwijl er bezuinigd gaat worden? Deze corporatie wil inzicht, inzicht in de samenleving waar zij een belangrijke functie vervult. Ze verhuren en bouwen er namelijk woningen. En inzicht geeft uitzicht (Joop den Uil). Om die reden zeker een goed initiatief en ook serieus zoals de bestuurder van Staedion ons dan ook vriendelijk maar serieus voorhield tijdens zijn welkom.

Den Haag is verwend met mensen die uit met onvervalste puurheid een boodschap kunnen overbrengen. Hoe de inhoud van de boodschap ook is, de vorm speelt er altijd een belangrijke rol in. Naast Erica Terpstra hebben we namelijk ook onze 'eigen' ex-wethouder en ex-staatssecretaris Jetta Klijnsma. Beide iconen zitten wat ruim in de tijd momenteel (hoewel Erica geloof dagelijks wordt geridderd) maar Jetta was gevraagd en bereid de aftrap te verrichten. En aftrappen kan dan deze 'kanjer', met elan en een eigen geschreven speech zette ze de toon.

"Waar zijn toch die bekende buurtbewoners gebleven die in het stadhuis luidkeels hun zaak kwamen verdedigen? En spreken we mensen wel aan op hun eigen kracht en organiseren we niet te veel voor ze? Wat doen jullie als 'stutten' in de maatschappij, hoe pakken jullie de uitdaging op? Gaan we decentraal werken en houden we daarbij ook centraal alles (formatief) vast of snijden we daar ook in de kosten?" Ook ging de hand in eigen boezem. "De overheid kan er ook wat van als het gaat om geld uitgeven", sprak zij met een licht ironische toon. "En ook de gemeente Den Haag kan zich nog wel eens afvragen of het allemaal niet wat kleiner kan."

En daar gingen we, trap af, richting de eetzaal waar we in tafels waren ingedeeld. Onze tafel had zich – met enige overmoed – gewaardeerd als tafel één. We moesten aan de slag. Tja daar zaten we dan; vijf mannen (organisaties) die elkaar wel herkennen maar eigenlijk niet kennen. Een belangrijke conclusie volgens ons. We tafelen, vergaderen, mailen en lezen elkaars jaarverslagen maar gaan vaak op in de deels door ons zelf georganiseerde drukte. De burgers van Den Haag kennen ons wel en gaan er vaak van uit dat wij elkaar ook kennen. Dat het logisch is dat wanneer een buurtconciërge een huurder in problemen tegenkomt even kan bellen met een collega van Welzijn, van de Kessler Stichting, het stadsdeelkantoor, de schuldhulp, de wijkagent of met iemand van een andere instelling waar de huurder hulp en begeleiding van krijgt. Helaas het is anders. We zijn vreemden geworden terwijl we schouder aan schouder dezelfde voordeur proberen in te gaan om de allerzwaksten met goede bedoelingen te helpen maar we jagen ze soms de stuipen op het lijf en bereiken in veel gevallen het tegenovergestelde van wat we willen.

Tafel één kwam tot deze aanbevelingen: Geen vervreemding maar contact, geen concurrentie maar samenwerking. "Geen gelul maar poetsen" om maar eens een collega te citeren. "Beter af en toe achteraf om vergiffenis vragen dan vooraf om toestemming" is ook een citaat dat mij te binnen schoot. We doelden natuurlijk op ondernemerschap maar in het huidige Rooms Katholieke klimaat viel dit citaat, toen ik het plenair ter berde bracht, plots in een heel ander kader. Hetgeen mij verbaal enigszins deed wankelen. Gelukkig kon ik mij beroepen op mijn hernia en vond houvast op de stoel die voorzichtigheidshalve had mee geschoven.

Alle zes de tafels proclameerden hun oplossingen. De bestuurder van Staedion werd bedankt en bedankte ons en zette Jetta in de bloemen. Zij verraste ons gelukkig nog met een hartversterkende opmerking "er moet gesneden worden in de kosten maar aan de jongeren onder jullie: het waait weer over hoor en dan schijnen er weer duizenden sterren aan de hemel.". De enige jongeren die ik zag waren de jongens en meisjes van de bediening maar die waren professioneel doof en deden onverstoorbaar hun werk. Wij vermoedelijk vandaag en morgen ook weer. Of mannen van tafel één..zullen we echt iets praktisch doen? En de woorden die in de Rijswijkse hemel hangen inademen en uitvoeren? Of zijn wij ook professioneel doof?