Previous month:
april 2016
Next month:
september 2016

juli 2016

Zijn ze gek geworden?

Het was een Winterse namiddag in 1971, toen ik, elf jaar oud, op pad was met mijn lagere schoolklas en de jonge leraar, meester Kees. Hij had, in zijn jeugdig enthousiasme de schooldirecteur van deze school met de Bijbel, overgehaald eens iets spannends te doen. Misschien was het feit dat de school een jaar later haar deuren moest sluiten vanwege de komst van een ‘nieuwe wijk’ verderop in de stad wel van invloed op zijn  behoudende geest. Hij stemde in, de bus werd besteld.

We vertrokken naar Scheveningen. Dat was sowieso een avontuur. Mijn reis naar de kust was steevast die met bus 23, naar Kijkduin. Scheveningen was’ de andere kant op’ zoals mijn vader zei. ‘En die kant gaan we niet op.’ Heldere taal van een man voor wie eenvoud een levenskunst was. De bus stopte voor een theater. Nog nooit had ik een museum, theater of schouwburg van binnen gezien. Mijn culturele ontwikkeling was begonnen en blijven hangen in Euro Cinema en een enkele keer naar Du Midi (maar dat was de andere kant op dus niet vanzelfsprekend).

In het donker giechelden de meisjes en zwegen de jongens op zoek naar een plekje op de stijle tribune. Jongens naast de jongens, meisjes naast de meisjes en meester Kees er tussenin. Op de vloer voor ons lag zand, hoewel ik dat niet meer zeker weet. De lichten doofden. De Storm van William Shakespeare stond op het programma, een try-out. Van deze magische vertelling begreep ik niets. Verwarring en verbijstering vochten om voorrang. De blik in de ogen van mijn klasgenootjes brachten geen rust. Ben Hur in Euro Cinema leek ver weg. Na de voorstelling kregen we een glaasje fris en mochten we pelpinda’s eten die op de bar lagen. De schillen ‘moest’ je op de grond gooien. Dat voelde als een daad van verzet, met enige spanning deed ik meester Kees na. Bij mij thuis werd stof en vuil immers met vuur en zwaard bestreden. Gelukkig was er een sluitende verklaring ‘de schillen absorberen het vuil en dat vegen ze met schil en al aan het eind van de avond op’ aldus de jonge meester. Vol overtuiging gooide ik de schillen op de grond. Warm van de kou reden we terug naar huis. Mijn hoofd drukte ik tegen de bewasemde ruit. De stad gleed van mijn af. Eenmaal thuis hoorde mijn moeder mij vol ongeloof aan. Het meeste onder de indruk van het pinda verhaal.‘Zijn ze gek geworden?’

Inmiddels, 45 jaar later, laat ik mijn kinderen regelmatig ons mooie stad zien. Scheveningen is daar een vanzelfsprekend onderdeel van. Onlangs nog liep met een van mijn dochters van de tramhalte naar de haven. ‘Kijk, daar is het Appeltheater. Daar heb ik goede herinneringen aan. Hier begon mijn culturele leven en mijn functionele kennis van pelpinda’s, knipoogde ik er achteraan.’ Zij, als professionele danser opgeleid in Den Haag en gewend te werken met onzekere subsidies, stuurde vorige week een berichtje. ‘Pap heb je het gelezen van het Appeltheater?’ Dat had ik, dat had ik.


Siroop Famel

Naar de dokter gingen we niet zo vaak. Wel naar een soort ‘onderdokter.’ Een grote man in een winkel die tussen de apotheek en de Jamin in zat. Zo herinner ik me de houten kast met daarin grote glazen potten die met hun witte etiketten achter de muur van de toonbank stonden. Planken met daarop verschillende flesjes, doosjes en flacons. De toonbank met z’n kartonnen dispensers waarin heilzame dropjes werden aangeprezen en bovenal de lucht. Een mengeling van zoethout, anijs en medicijnen. Dit alles vormde het decor van de onderdokter of de Drogist zoals die bij ons thuis steevast – netzo als bij alle andere ‘hoge functies’- met zachte stem werd uitgesproken. In dit rijtje paste ook de Dokter, de Leraar, de Tandarts en de Man van de woningbouw. Die, om een voor mij onverklaarbare reden, in het rijtje van de grote vijf was opgenomen. Vaste prik bij ons thuis was, bij een naderende verkoudheid, een lepel Siroop Famel voor het slapen gaan. Dat was een feest, zeker in vergelijking met de lepel levertraan die mijn zus en ik met succes in de ban hadden gedaan. De Drogist pakte, deze inmiddels op de lijst van verboden middelen staande, rechthoekige fles van de plank, en overhandigde die steevast met een advies over de inname. ‘Elke dag voor het slapen is afdoende.’ Zijn imponerende verschijning in de witte jas weerhielden me niet van een tochtje langs het rek met snoep dat per stuk kon worden gekocht. Een stuiver voor een dropmuis en tien cent voor een stroopsoldaat.

Er moet een samenwerkingsrelatie hebben bestaan tussen de Drogist en de Tandarts die mij als ziekenfondspatiënt met plezier hielp. Hij vulde mijn jeugdige tanden enthousiast met zwart amalgaan. Geen genoeglijk treffen aangezien verdovingen alleen nog maar bestonden voor particulier verzekerden. Dat onderscheid konden mijn zenuwen helaas niet maken. Siroop Famel, feitelijk suikerwater met Efedrine, was in elk geval geen goede aanvulling op de tandzorg en al helemaal niet heilzaam voor mijn drukke gedrag. Het bevorderde de aanmaak van adrenaline, verwijdde de bloedvaten en daardoor voelde je je minder verkouden. Een illusie, aangeprezen door een witte jas en een duur etiket.

Maar ja, wat wist je toen? Nu is alles beter, toch?