Previous month:
maart 2015
Next month:
april 2016

oktober 2015

Dat kan ik zelf wel, ik ben niet gek

Als jonge jongen leerde ik het vak van verzorgende. Het speelde zich af in de jaren’70 in een voormalig sanatorium dat dienst deed als verpleeghuis. Naast mensen verzorgen leerde ik  werken met verpleeghulpen, ziekenverzorgenden, verpleegkundigen, de waarnemend hoofdzuster, de hoofdzuster en de dokter. Als leerling stond je onderaan in de hiërarchie en werd je bijgestaan door een praktijkbegeleidster, die je vorderingen keurig bijhield in een aftekenboekje. In de kantine stond een tafel waar alleen de artsen en de hoofdzusters aan mochten zitten en de eerste koffie dronk je staande in het keukentje. Soms moesten de meisjes hun nagels laten inspecteren door de hoofdzuster. Zelf leerde ik dat een lepeltje 'in het verlengde van oortje van het kopje' op het schoteltje hoorde. 

Er waren ook mensen die verzorgd werden. In een van de lange gangen zat steevast een oude, kleine, gedrongen vrouw. Zij was vanaf geboorte gehandicapt en woonde al jaren in het verpleeghuis. Geesje werd bij haar voornaam genoemd, een doodzonde in die tijd. Geesje nam zo vroeg als ze kon haar strategische plek in: een hoek op een kruispunt van twee gangen. Ze begroette iedereen met haar enigszins vervormde stem. Met haar te korte been, de zware hooggehakte schoen vooruit stekend, was ze een herkenbaar baken in de tl-verlichte en weeïg ruikende  gangen. Geesje was in veel dingen beperkt, behalve in haar vaardigheid om zelf te bepalen wat ze wilde. Ze gruwelde van handwerken en andere activiteiten die werden georganiseerd. Ze noemde haar medepatiënten gekke oude mensen of tikte veelzeggend tegen haar voorhoofd. Het lepeltje had bij haar overigens geen functie, ze dronk uit een plastic beker met een tuitje. 

Vandaag de dag word ik in ons hoofdgebouw begroet door een kale man die in de hal zit. Laat ik hem Lou noemen. Hij wordt verzorgd op de verpleegafdeling, is stokdoof en kiest net als Geesje destijds, zijn positie. Lopen kan hij nog net; zwaar hinkend loopt hij naar zijn plek en soms even naar buiten.  Hij compenseert zijn doofheid door hard en monotoon zijn levenswijsheden met iedereen te delen. Hij heeft zo zijn eigen tegeltjeswijsheden. Voor mij bewaart hij: ‘Jij bent knapper dan je broer.’  Wat op zich niet waar is, maar aangezien hij denkt dat een collega mijn broer is heeft hij een punt. Hulp bij het lopen weigert hij: ‘Dat kan ik zelf wel.’ Vandaag zag ik hem met een witte tas, te koud gekleed, naar buiten hinkelen. ‘Ga boodschappen doen, ben niet gek hoor en als ik terug kom maak ik een mooie foto van je.’

Er lijkt veel veranderd. De hoofdzuster is weg en aftekenboekjes bestaan niet meer. De vakmensen zijn nu echt zelf aan zet en vervullen meerdere rollen. Impliciete regels van destijds zijn nu te vinden op de computer. De gangen hebben meer kleur, medicijnen zitten in zakjes en tillen gaat met een tillift. Ik denk niet dat er nog iemand is die aan de juiste positionering van lepeltjes denkt; dat is wel een gemis. Stiekem doe ik het nog wel eens en geniet ik van zo'n klein monument. 

“Iedereen in zijn eigen kracht zetten” is nu het leidmotief. Geen nieuws voor Geesje en Lou. 

 
Een variant van deze column verschijnt in Tranz november 2015