Het kind is de vader van de man
Zoiets moois

De Blues

In een flits zag ik zijn profiel voor het raam van zijn kamer en besloot terug te lopen. Met mijn hoofd om het hoekje piepte ik naar binnen. “ Mag ik uw kamer even bekijken?” Een magere man stapte de kamer uit en zei “Ja hoor.” We voerden op de drempel een gesprek of een praatje (dat weet ik nooit zo goed). “Bent u tevreden over uw kamer?” vroeg ik terwijl ik  de kleine kloosterkamer in me opnam.

Op het groene bobbelige zeil stonden enkele jaren’70 meubels in een keurige opstelling. Bed strak opgemaakt en een kastje met snuisterijen. Aan de muur een gitaar, vol in het licht. Als een heiligbeeld trok het de aandacht in de donkere kamer. Alles op orde.

 “Ja hoor, mijn wastafel is ook weer gemaakt, ik ben tevreden.” Zijn ogen hadden de mijne nog niet gekruist, zijn lichaam bewoog heen en weer. De onrust nam de orde over. “En die gitaar, die daar hangt, speelt u daarop?” “Dat is mijn hobby, ik speel er graag op maar treed niet meer op. Vroeger wel, toen was ik straatmuzikant. Een muzikant met behoud van uitkering.” Een glimlach trok zijn vlakke gezicht in een plooi. “Dat moet kunnen hoor, muziek maken met behoud van uitkering.” Hij vervolgde: “De Stones speel ik graag, vooral hun vroege blues nummers.” “Was u al jong muzikant?”, probeerde ik om de aandacht vast te houden. “Ik heb allerhande ongeschoold werk gedaan, ook in een supermarkt. Daar werd ik chagrijnig en besloot te gaan leven van muziek met een groepje vrienden. We stopten, ieder ging zijn eigen weg. Nu zit ik hier, het is goed. “ 

De onrust werd hem te machtig, hij sloot zijn kamer af en groette mij met de ogen naar de grond.  Can you hear the music?  (Stones, 1972). 

 Column in Haags Straatnieuws #13

Reacties