De tijd

Humphrey is nietsvermoedend naar bed gegaan en zijn dagelijkse ritueel doorlopen, medicijnen genomen, glaasje water gedronken en de dekens vast hoog opgetrokken. Zich wapenend tegen de Hollandse kou waar hij zo’n hekel aan had. Na 27 jaar te hebben gewoond in een voormalig sociaal pension werd hij niet meer wakker.

Ooit brachten verwarring en drugs hem aan het wankelen en, zo zeggen de mensen die hem nog kennen van die tijd, was hij vel over been. Het toenmalige pension bracht uitkomst. De verwarde gedachten namen af en de drugs verdwenen naar de achtergrond. Roken bleef hij doen en het goede eten smaakte hem goed. De ooit zo magere Humphrey groeide uit tot een rustige grote vriendelijke reus. Zijn rust viel op, hij reageerde secundair, een beetje in de vertraging. Vaak gevat en raak. Zijn kamer was een beetje verstopt in het pand. Je moest moeite doen om hem te vinden. De verwarming steevast op ‘hoog’ en uitzicht op de straat. Dat was zijn plekje. De medewerkers werden zijn vervangende familie en namen hem soms mee naar voetbalwedstrijden. Daar keek hij naar uit en kon er nog weken over praten. Als hij te stil werd zochten we hem op. Anders ging het mis en probeerde hij met drugs zijn opdringende gedachten weg te duwen.

Gewend geraakt door het leven in een instelling draaide hij mee in het ritme dat hem werd aangeboden. En hoewel hij zich had ingeschreven voor een woonpas en zei te fantaseren over zelfstandig wonen, kwam het er niet van. Zijn uitjes naar voetbalwedstrijden en Florencia, de lokale ijs-en koffie zaak op loopafstand, namen af. En op woningen reageerde hij, ondanks aanmoediging niet.  

Zijn lichaam werd uit zijn kamer getild op een brancard en door het pand naar de klaarstaande lijkwagen gebracht. Het was stil in huis.

Nog niet zo lang geleden sprak ik hem nog. Hij vroeg me, puffend door zijn aangetaste longen, waarom er geen klok hing in de net opnieuw ingerichte woon/eetkamer. ‘Er is overal aan gedacht maar er is geen klok, hoe kan ik nu zien hoe laat het is?’ ‘Hing er dan eerst wel een klok, vroeg ik.’ ‘Ja maar die is weggehaald en ik heb de begeleiding er al heel vaak om gevraagd maar ze doen niets.’ Hij glimlachte nu zijn zelfs zijn tandvlees bloot, hij droeg geen gebit meer. Om de vraag waarom hij geen horloge had, lachte hij nog meer. ‘Daar heb ik toch geen geld voor!’

Het was duidelijk, ik was verantwoordelijk voor een klok in de woonkamer, aldus Humphrey. En nog voordat de tijd hem verlaten had, hing die klok er. Net op tijd.

Dag Humphrey, je wordt gemist.


Tijd voor bezinning?

Er is een rapport van de commissie Dannenberg (van Beschermd Wonen naar Beschermd thuis) dat in opdracht van de VNG is geschreven. Het rapport is een aansprekend vergezicht en wordt alom omarmd. Het gaat uit van het principe dat de zorg naar de mensen thuis moet komen (vanuit de vraag) en niet aanbodgericht in een Beschermde woonvorm of Maatschappelijke Opvang moet worden georganiseerd. Dat past in de vermaatschappelijking van de zorg. Vanwege de kwetsbaarheid van de mensen over wie het gaat en de complexe uitvoering wordt er een periode van 15 jaar uitgetrokken voor deze transitie. Centraal staat de eigen kracht van de burgers en het beroep op het zelforganiserend vermogen en sociale netwerken. Uiteindelijk zal dat leiden tot minder intramurale voorzieningen omdat mensen in een waaier van woonvarianten wonen en flexibel ondersteund worden. Als het echt niet anders kan is er Wet langdurige zorg als een ultimum remedium. 

Aansprekend met een enkele mits en maar. Om ‘je zelf te organiseren’ moet je over vaardigheden beschikken. Die zijn niet bij iedereen ontwikkeld of inzetbaar door bijvoorbeeld ziekte of een alles overheersende stress door de situatie waar men in terecht gekomen is. Het terugvinden van de autonomie, het gevoel weer mee te mogen en kunnen doen in de samenleving en perspectief zien is voor veel mensen zeker haalbaar. Maar het kost tijd en de omgeving moet er op worden afgestemd. 

Er staat ook een opmerking in die vandaag de dag heel actueel lijkt. “De keerzijde van de vermaatschappelijking – zoals bekend van de geestelijke gezondheidszorg in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw - kan immers bestaan uit zelfverwaarlozing, eenzaamheid, geldgebrek om mee te doen, stigmatisering en verwardheid op straat.”

Er is nog een rapport. Het feitenrapport van de Haagse Rekenkamer over hoe de systemen functioneren voor de opvang en begeleiding van mensen die dakloos zijn. Het geeft inzicht hoe een en ander is geregeld in Den Haag (en in Amsterdam waar ook zo’n rapport is verschenen). Rotterdam en Utrecht volgen. Het zal daar vast niet anders zijn. De uitkomsten staan haaks op de gedachte dat er voor iedereen een plek in de wijk is. Betaalbare woonruimte, regie, ondersteuning bij problemen met administratie, gezondheid en dagbesteding en een steunend netwerk voor als het ‘even niet meer gaat’ is makkelijker opgeschreven dan uitgevoerd, zo blijkt. 

En nu is er ook een derde rapport. Om het beeld zo compleet mogelijk te maken hebben we, samen met het Leger des Heils, een onderzoek laten doen onder de mensen die zijn aangewezen op de opvang. We waren nieuwsgierig over wie zoveel geschreven wordt. Wie zijn de mensen in de noodopvang? Wat ze mankeren ze, hoe voelen ze zich en waar hebben ze behoefte aan? Het rapport wordt maandag 12 februari aan wethouder Karsten Klein aangeboden. Het onderzoek bevestigt, in samenhang met de uitkomsten van het Rekenkamer rapport, nadrukkelijk de noodzaak in actie te komen. Het is wat mij betreft ook tijd voor bezinning. Laten we nog eens goed stil staan bij wat nodig is om de vermaatschappelijking in onze sector door te voeren en geen voorzieningen sluiten voordat die waaier aan woonvormen en kwalitatieve ondersteuning er ook daadwerkelijk is. Als dat goed geregeld is en er is voor een kleine groep mensen voor wie begeleid thuis wonen niet mogelijk is een passend aanbod binnen de Wet langdurige zorg, zal het op den duur rustiger worden op straat en kan de overloopvoorziening aan de Zilverstraat als eerste dicht. 

Tot die tijd zetten we extra bedden bij omdat we in Den Haag nu eenmaal niemand op straat willen laten slapen. Een ultimum remedium. 


Ik zie nooit iemand

Terwijl het team van de nachtopvang zich klaar maakt voor de start van de dienst en de eerste cliënten handenwrijvend voor de deur staan te wachten maak ik even een praatje met Rowan, een van de medewerkers. Zij heeft zich afgezonderd in een spreekkamer. Op haar scherm staat het clientregistratiesysteem dat wij gebruiken open. Naast ons hoor ik roepen ‘jongens we gaan beginnen, het is winteropvang hè.’ Ik vraag Rowan hoe het gaat. Ze begeleidt ook nl. cliënten in de Zilverstraat.

-- We hebben subsidie gekregen om voor enkele tientallen cliënten in de Zilverstraat begeleiding te geven. We noemen dat ‘actieve’ toeleiding. De cliënten zijn doorgaans niet gemotiveerd of niet in staat (soms is dat hetzelfde) om zich begeleidbaar op te stellen. Het overleven staat voorop. Door ze actief te benaderen en in gesprek te (blijven) gaan helpen we ze verder in het proces van hulp aanvaarden. Dat lukt in de meeste gevallen. We deden dit ook voor de cliënten die zich bij de Kessler Stichting zelf melden maar die subsidie is een aantal jaar geleden niet verlengd. Vermoedelijk omdat de Maatwerk Arrangementen beschikbaar kwamen. Afijn, we weten inmiddels dat het in aanmerking komen voor zo’n Arrangement voor cliënten die op straat leven en zich ophouden in een nachtopvang nog niet zo eenvoudig is. Ons pleidooi iedereen in de nachtopvang een standaard Arrangement te geven voor een periode is in goede aarde gevallen. Dan kunnen we voor iedereen aan de slag. --

Rowan zegt dat het druk is. Ik zie het ook, ze wil verder. Ze heeft de muis nog geen seconde losgelaten. Behendig scrolt ze door het programma en laat ze me wat algemene informatie zien. Er blijken 26 vrouwen binnen te zijn bij de Kessler Stichting vandaag en 74 mannen. De bedden op de Ziekenboeg zijn meer dan vol en er zijn zo’n 30 cliënten binnengebleven vandaag. Te ziek of te kwetsbaar om naar buiten te gaan.

‘Kan je je werk een beetje fatsoenlijk uitvoeren Rowan?’ vraag ik terwijl het geroezemoes van binnenkomende cliënten op de achtergrond aanzwelt. ‘Het gaat’ reageert ze enigszins onderkoeld. ‘Het is best lastig om tegen cliënten te zeggen dat ik ze niet kan helpen omdat ze in Zilverstraat zitten onder de Bed, Bad en Brood regeling (mensen zonder geldige papieren die ook in deze locatie worden opgevangen). Iets anders dat vervelend is is dat de medewerkers van het Top Team van Parnassia niet meer bereikbaar zijn om met mij en de cliënt in gesprek te gaan.’ Mijn vragende blik is voldoende voor de uitsmijter. ‘De Zilverstraat gaat pas om 18.00 open en dan werken er geen ketenpartners meer, ik kom daar nooit een collega van een andere instelling tegen.’  Niet alles is moeilijk om op te lossen, denk ik nadat ik Rowan had bedankt. Ze was alweer druk aan typen in een dossier.

Overigens is meer generieke cliëntinformatie beschikbaar dan de gemeente zelf beseft. Dat komt omdat er mensen zijn die ondanks de beperkingen van het cliëntvolgsysteem dat het centraal coördinatiepunt van de GGD al jaren gebruikt, monnikenwerk verrichten. Ze houden gegevens zelf bij en vergelijken dat met de instellingen. Ze werken nauw met elkaar samen. Zo heb ik de cijfers van de uitstroom van een van onze grootste doorstroomlocaties van het CCP ontvangen. Op deze locatie is plaats voor 69 cliënten. In 2017 zijn er 81 uitgestroomd. Kort en bondig: 25% woont weer zelfstandig, 25% is naar een langdurige verblijfsplek gegaan, 33% woont met ambulante begeleiding en (slechts) 12% is uitgevallen. 

Een kleine nuance op de conclusie van de Rekenkamer dat mensen in de nachtopvang er slechter uitkomen dan dat ze erin kwamen. Dat hoeft echt niet als we mensen zoals Rowan haar werk laten doen, ketenpartners beschikbaar zijn en cliënten snel kunnen doorstromen voor verdere hulp. Die constatering doet ook recht aan al die mensen die dit werk dag in, dag uit doen.

We horen ze niet maar we kunnen wel naar ze luisteren.


Een alledaags leven..

Het liefst schrijf ik over mensen die geen alledaags leven leiden. Mensen voor wie een lonkend perspectief een luxe is die ze niet kennen, of alleen nog in een herinnering. Veel van hen kom ik tegen in mijn werk maar ik zie ze ook in het park, op een bankje, hangend over een muurtje, op de trappen van een portiekwoning of weggedoken in een hoodie in het centrum. De zwaartekracht van het decorum, hun netwerk en vaardigheden houdt hen vaak nog overeind.

Eenmaal dakloos en in de nachtopvang beland is dat moeilijker vol te houden. Met niets meer dan een denkbeeldige rugzak met narigheid bij je kom je naar binnen. Controle, een kluisje voor je spullen, de keuze uit drie huiskamers, eten, drinken douchen en een plek op een stapelbed. Weliswaar in een andere omgeving en anders uitgevoerd maar in feite dezelfde situatie als in 1912, ons jaar van oprichting.

De problemen van nu zijn deels anders maar ook van alle tijden. Sociale uitsluiting, verlies van werk, scheiding, drank, drugs en dingen kopen die je je niet kunt veroorloven. De weg kwijtraken in de administratieve dwaaltuin die we inmiddels hebben gecreëerd. Worden opgejaagd door schuldeisers die de schuld soms vervijf- of vertienvoudigen en keer op keer je negatieve zelfbeeld bekrachtig krijgen. "Dat lukt jou toch niet, zie je nou wel?" Wat ook niet helpt om je leven weer op de rit te krijgen zijn persoonlijkheidsstoornissen, een verstandelijke beperking, trauma's, verslavingen, psychoses en depressies. 

Daar kijkt menigeen van op; voor die problemen is er toch de psychiatrie en andere sectoren? Ja en ook weer nee. Het woord laagdrempelig is uit ons stelsel gegumd. Het zal vermoedelijk uit Van Dale verdwijnen, vrees ik. Je moet wel van hele goede huize komen wil je tegenwoordig worden opgenomen in een kliniek. En als je er bent kan je je jas wel aanhouden omdat je weer snel moet participeren. ‘Psychiatrie to go.’ Voor veel mensen de oplossing, voor een aantal ook niet. Ik zie ze in de nachtopvang locaties. Bij elkaar in grote groepen met verschillende, vaak ernstige problemen. Het tegendeel van participeren.

Nu is er een kans om dit veranderen in Den Haag. En omdat meningen vaak als feiten worden gebruikt en hoewel je tegenwoordig zelfs niet meer weet of een feit een feit is of een verzinsel, ben ik blij met het Rekenkamer feiten- rapport over de Maatschappelijke Opvang in Den Haag. Niet dat dat nou zo feestelijke rapport is maar er staat wat er staat. Dat telt. Het is logisch dat de transities in de zorg en de bezuinigingen maatschappelijke gevolgen hebben. Die pakken niet voor iedereen goed uit. Rapporten zoals deze laten zien dat niet alles op te lossen is binnen de bedachte systemen. Helemaal niet erg omdat de gemeente immers ook de vrijheid en verantwoordelijkheid heeft om binnen de systemen aanpassingen te doen. De transities doen een beroep op het adaptieve vermogen van de gemeentes.

Beste leden van het gemeentebestuur, het is tijd voor verandering.

De mensen waarover het gaat staan al in de kou, u kunt de gevoelstemperatuur beïnvloeden door met elkaar de handen ineen te slaan en te investeren in een plan. Een plan dat boven de partijen uitstijgt, een plan dat de hele keten betreft, een plan waarin perspectief zit. Een perspectief op een alledaags leven.

Laten we wel tempo maken want zoals de naamgever van onze stichting, D.A.J. Kessler, al schreef in 1923 als onderbouwing voor zijn gift:

“Het doel waarvoor wij werken komt mij echter zoo belangrijk voor dat het niet in gevaar mag worden gebracht door onmacht of vertraging. Het beteekent immers niet minder dan voorziening in een sociaalen nood en in opheffing, wellicht in redding van hen, die door ongunstige levensomstandigheden gezonken zouden zijn of staan te zinken”

Ook dat is niet veranderd.


De warme stad

Hartverwarmend waren de reacties op de artikelen in het Algemeen Dagblad over de campagne voor de Soepbus. Ik ben wel wat gewend de afgelopen jaren maar dit keer waren de reacties van organisaties en ‘gewone Hagenaars’ overweldigend. Het leverde prachtige verhalen op en voldoende geld om de bus te laten rijden. Een warme stad, dat Den Haag. Het leverde nog meer op. Zo heeft zich een groot aantal vrijwilligers gemeld om mee te rijden op de Soepbus. Het zijn er inmiddels zo veel dat we een tijdelijke vrijwilligersstop hebben voor de Soepbus. Mensen op straat, die bij een Soepbus iets komen eten en een praatje maken; het raakt ons Hagenaars.

Het raakt ook de politiek. Dit keer heftiger dan anders. De Soepbus lijkt ingezet te worden als middel in de verkiezingsstrijd. En dat gaat niet bepaald zachtzinnig. Nu ben ik niet naïef maar om nu de gemeente te beschuldigen dat ze niets voor De Soepbus over hebben, is feitelijk gezien natuurlijk niet juist. De afgelopen jaren hebben we de gemeente een bijdrage gevraagd van 50.000 euro. Die is toegekend, de overige gelden kwamen van andere betrokken instanties en particulieren.

Op die manier is De Soepbus de afgelopen jaren gefinancierd; een publiek-private samenwerking in feite.

Laten we het even niet over De Soepbus hebben en de politici vragen zich nog eens buigen over hun partijprogramma’s om te kijken wat daar over dak- en thuislozen in staat. Wat mij betreft: hoe concreter hoe beter. Hoe moet het bijvoorbeeld verder met de verwarde stadsgenoten voor wie adequate psychische hulp vaak ontbreekt, die soms zelfs dakloos worden en noodgedwongen bij één van de drie opvanglocaties aankloppen? Wat hebben de transities in de zorg hen opgeleverd?

Dat is een maatschappelijk vraagstuk van belang en het helpt niet als we blijven hangen in beeldvorming, ook niet in verkiezingstijd. Zo is de Zilverstraat geen ‘gemeentelijk drugshol’ waar jongeren tussen de verslaafden liggen, zoals onlangs in het Algemeen Dagblad stond. De jongeren worden gescheiden opgevangen bij het Leger des Heils. Er verblijven (ook) verslaafden in de Zilverstraat maar een groter deel van alle daklozen dat ’s nachts wordt opgevangen in Den Haag (en andere grote steden) heeft een ernstige psychische aandoening. Dat zijn trieste feiten die nopen tot handelen. Het zou fantastisch zijn als er iets van alle aandacht van de afgelopen weken wordt geconcretiseerd in plannen die het leven voor deze groep mensen beter maakt.

Om alvast een voorzetje te geven: wat mij betreft wordt het tijd dat de opvangvoorzieningen voor de nacht worden omgevormd tot een professionele ‘spoedeisende hulp’ en niet langer alleen voorzien in bed, bad, brood en een beetje begeleiding. Het gevolg van de bezuinigingen van met name in de GGZ is zichtbaar. Dat betekent voor de gemeenten een passende oplossing. Laten we hier in Den Haag onder ogen zien dat het tijd is voor verandering en beginnen met de noodopvang. Een snelle probleemanalyse door goed opgeleide mensen en een passende vervolgopvang of huisvesting voorkomt dat grote groepen mensen met verschillende problemen in weinig verheffende omstandigheden lang blijven hangen en nauwelijks verder komen. Dat vraagt om een flinke inspanning van veel partijen. Maar het kan als de wil er is.

En De Soepbus? Die zal blijven rijden want hoe goed we het ook doen er zullen altijd mensen zijn die in de marge van de samenleving leven en baat hebben bij een praatje en een kop soep. Ook in het warme Den Haag.


Leendert

Tegen de gevel vindt het onkruid zijn weg omhoog, de afvalemmer zit overvol met blikjes en plastic tasjes en het papiertje met de openingstijden erop krult van het glas af. De nachtopvang of beter de crisisopvang is weer leeg. Althans bijna leeg. Medewerkers krijgen het de laatste tijd steeds moeilijker om mensen naar buiten de sturen met ‘tot vanmiddag.’

Draaiend aan een sigaret sprak hij hardop tegen niemand in het bijzonder. Zijn magere benen over elkaar geslagen, zijn metalen bril scheef op zijn gezicht. Hij sprak geen Nederlands en bleef binnen omdat hij de dag er voor buiten op de stoep in elkaar geslagen is en beroofd van zijn de weinige spulletjes die hij had. “Hij is zeer kwetsbaar, nu ook gewond, verward en kan zich niet verweren’ zo vertelde me een medewerker zijn verhaal. “En het meisje dat je daar ziet heb ik ook binnen gehouden. Ze heeft een licht verstandelijke beperking, gaat met jongens mee omdat ze lief voor haar zijn en haar geld geven voor seks  en bovendien wil ze graag een kindje om voor te zorgen. Er zijn er al twee kinderen bij haar weggehaald door de kinderbescherming. Ik laat haar overdag binnen, dan is ze tenminste veilig.”

Zo maar twee verhalen; er zijn er nog veel meer. Soms beschermen we mensen. Hun kwetsbaarheid is groter dan hun mentale of fysieke weerstand tegen anderen die kwaad in de zin hebben. Aan de andere kant grijpen we in wanneer mensen ons of mede-cliënten bedreigen, slaan of uitschelden. Veel middelen om dat te doen hebben we niet bovendien willen we liever voorkomen dat het uit de hand loopt en mensen laten leren van disfunctioneel gedrag. Ze zijn immers niet voor niets bij de Kessler Stichting terecht gekomen. Dat vraagt om genuanceerde aanpak, doortastende mensen die precies aanvoelen hoe te handelen tussen handhaven en zorgen. Vakmensen.

Onlangs namen we afscheid van zo’n vakman. Leendert, een van onze portiers. Een rasechte Hagenees die altijd op het juiste moment de juiste beslissingen wist te maken. Zorgzaam als het leed te veel werd en beschermend wanneer een sterke arm nodig was. Leendert staat symbool voor vakmensen, moedige mensen die lef combineren met zorgzaamheid en empathie. Leendert gaat met pensioen; dat is hem gegund. Cliënten hebben geld voor hem opgehaald en een kaart gekocht. Het is ontroerend en hoopgevend tegelijk en vooral een groot compliment.


Woordenstal

Soms ontstaan er woorden die de harde realiteit poëtisch verzachten. Recent proefde ik ineens regelonvaardig op mijn tong. Ik kende de smaak, rond en fluweelzacht met een wat bittere lange afdronk. Het smaakt niet naar meer. Helaas ben ik niet altijd zelf de maker van deze woorden, maar worden ze aangedragen door de trillende lucht boven praattafels. Het is verrassend dat je ineens de woorden niet rechthebbend hoort aankomen, die - voordat je het weet - een plekje vinden in je eigen woordenstal.

Er zijn mensen die zich ' s middags bij ons melden voor een overnachting en te ziek zijn om overdag weer naar buiten te kunnen. Dat is niet nieuw en we kunnen ze ook helpen door ze op de ziekenboeg te houden. Maar, zo vertelden de mensen van de afdeling, de nood is groter dan ooit. Mensen zijn in de war,sociaal zwak, zitten in rolstoel of scootmobiel, of zijn verstandelijk zeer beperkt. De maatschappij verandert - vaardigheden niet zo snel.

Niets werkt beter om de omvang van de nood te begrijpen dan gewoon even gaan kijken en praten met de mensen over wie we het hebben. Twee trappen naar beneden en mijn collega en ik zijn er. Het is rond 11.00 uur en we lopen twee van de drie 'huiskamers' binnen. Een jonge Engelssprekende vrouw helpt samen met een andere vrouw broodpakketjes klaar te maken voor de Soepbus. Twee mannen soppen tafels af en een derde tuurt naar het scherm van de computer die daar voor algemeen gebruik staat. Sinds kort bieden we de meest kwetsbare mensen aan ook overdag te blijven. Uit bescherming tegen het leed dat ze op straat ten deel valt en bereikbaar voor hulpverleners.

Vanuit de rookruimte hoor ik stemmen. Om het hoekje zie ik een man met een Aziatisch uiterlijk schuin voor het raam zitten. Hij zit op een stoel, kijkt tegen de afgeplakte ruit en praat hardop in een onbekende taal. Voor hem een pakkie shag en een volle asbak. Even denk ik nog dat hij aan het bellen is, maar ik zie nergens een telefoon. "Hij praat in zichzelf, de hele dag door", zegt een wat oudere vrouw met een leesbrilletje op het puntje van haar neus. Een lok van haar uitgegroeide geblondeerde haar stopt ze achter haar oor, terwijl ze opkijkt van een puzzelboekje en zucht: "Ach ja, dat doet hij de hele tijd. We verstaan hem niet eens."

Straatonvaardig, denk ik ineens. Ik ben de klos.


 


Klasse A

De zon trok zich terug achter de gevel, de schaduw viel over de binnentuin waar mensen keuvelend met elkaar, stil op een bankje of in een rolstoel aan het eten waren. Drie foodtrucks zorgen voor een afwisselende hapje of drankje en een muziekje op de achtergrond doorbrak de zwijgende stilte. Clienten, medewerkers en vrijwilligers werden zo even in 'het zonnetje' gezet.

Met een bakje hippe pastasalade in de hand liep ik naar een man die daar, zwijgend met een beker tomatensoep, voor zich uit stond te roeren. Ik herken hem. "He joh, hoe is het met je, smaakt de soep?" Zijn wat opgezwollen gezicht draait naar me toe. "Ja hoor, alles goed." Nu ik zou dicht bij hem sta zie ik eigenlijk dat hij iets langer is dan ik en dat hij ook nu weer een te krap shirt aan heeft. Het geeft zijn lichaam iets ongemakkelijks. Zijn kleine bril met ronde vette glaasjes van dun metaal lijkt met kracht op zijn gezicht geduwd. "Werk je nog steeds naar je zin bij de dagbesteding?' Probeer ik om het gesprek op gang te krijgen. "Ja zeker, maar ik woon hier niet meer, ik woon nu op mezelf in het Bezuidenhout, een sjieke buurt hoor met fijne mensen." Dat was voor mij een verrassing omdat ik dacht dat hij op een afdeling voor beschermd wonen verbleef. "Dat is goed nieuws zeg, hoe kom je daar zo terecht?" Hij ontvouwde zijn relaas. Zijn reis vanaf zijn ouderlijk huis tot aan de straat, de nachtopvang, beschermd wonen, begeleid wonen tot aan zijn zelfstandige driekamer woning in het Bezuidenhout. Een reis van vijf jaar, aaneengeregen in monotone zinnen. Zijn soep bleef onaangeroerd. Alleen bij een herinnering aan zijn vader verhief hij zijn stem. "Ik mocht niets, moest mijn mond houden en werd onder de duim gehouden.' Hij duwde zijn duim met kracht in de lucht eronder, alsof hij een zware last wegdrukte. "Toen ik psychisch knapte en niet meer mee kon werken in de zaak, kon ik gaan, ik had niets te willen volgens mij vader. Mijn relatie ging uit, blowen en drinken volgde, ik belandde op straat en meldde me in de nachtopvang. Ik had geen cent en niemand die zich in mij interesseerde." Hij staarde voor zich uit, de soep werd geroerd, mijn pasta was bijna op. "En toen, wat deed je toen?" "Wat mij helpt is iets doen", hij draaide zijn gezicht wat meer naar mij toe. Zijn ogen knepen achter de ronde glaasjes, zijn wangen duwde de bril omhoog. "Vanaf de eerste dag ben ik dagbesteding gaan zoeken, tot de dag van vandaag geeft me dat structuur. Later volgde therapieën, diagnoses en medicatie. Ik begrijp nu beter hoe alles komt en wat ik er aan kan doen. Maar werken is het allerbelangrijkste voor mij. Daarom kom ik hier elke dag naar toe. Ik woon nu weer op mezelf en krijg nog wat begeleiding om te kijken of ik er geen rommel van maak. Logisch hoor maar het gaat goed." Ik hoorde een vleug Westlands accent in zijn verhaal dat nu meer toonverschillen kreeg. "En blijf je bij ons dagbesteding doen?" "Nog even maar dan, ja dan ga ik natuurlijk weer werken in het Westland." Hij dronk de afgekoelde soep in een teug op, veegde zijn mond af en draaide zich nu helemaal naar mij toe. "Er is toch niets mooiers dan iets zaaien, het zien groeien en koesteren totdat het een klasse –A product is wat je vol trots kan laten zien!" Zijn ogen glommen, zijn handen verbeelden het zaaien en oogsten. Ik knikte instemmend. "En je ouders, zie je die nog wel eens?" "Nee, nooit en dat hoeft ook niet, ze hebben al meer dan genoeg kapot gemaakt." Resoluut hernam hij zijn positie en nam een slok uit de lege beker. "Ik ga nog even wat anders eten en dan weer naar huis." We namen afscheid.

Het bakje van gerecycled karton en wat restjes paprika en pasta erin gooide ik in een kliko. Er naast stond een man met een vuurrood gezicht. "Ken ik u niet ergens van?" Ik gaf hem voor zoveelste keer een hand, een nieuwe kennismaking, telkens weer.  


Zijn ze gek geworden?

Het was een Winterse namiddag in 1971, toen ik, elf jaar oud, op pad was met mijn lagere schoolklas en de jonge leraar, meester Kees. Hij had, in zijn jeugdig enthousiasme de schooldirecteur van deze school met de Bijbel, overgehaald eens iets spannends te doen. Misschien was het feit dat de school een jaar later haar deuren moest sluiten vanwege de komst van een ‘nieuwe wijk’ verderop in de stad wel van invloed op zijn  behoudende geest. Hij stemde in, de bus werd besteld.

We vertrokken naar Scheveningen. Dat was sowieso een avontuur. Mijn reis naar de kust was steevast die met bus 23, naar Kijkduin. Scheveningen was’ de andere kant op’ zoals mijn vader zei. ‘En die kant gaan we niet op.’ Heldere taal van een man voor wie eenvoud een levenskunst was. De bus stopte voor een theater. Nog nooit had ik een museum, theater of schouwburg van binnen gezien. Mijn culturele ontwikkeling was begonnen en blijven hangen in Euro Cinema en een enkele keer naar Du Midi (maar dat was de andere kant op dus niet vanzelfsprekend).

In het donker giechelden de meisjes en zwegen de jongens op zoek naar een plekje op de stijle tribune. Jongens naast de jongens, meisjes naast de meisjes en meester Kees er tussenin. Op de vloer voor ons lag zand, hoewel ik dat niet meer zeker weet. De lichten doofden. De Storm van William Shakespeare stond op het programma, een try-out. Van deze magische vertelling begreep ik niets. Verwarring en verbijstering vochten om voorrang. De blik in de ogen van mijn klasgenootjes brachten geen rust. Ben Hur in Euro Cinema leek ver weg. Na de voorstelling kregen we een glaasje fris en mochten we pelpinda’s eten die op de bar lagen. De schillen ‘moest’ je op de grond gooien. Dat voelde als een daad van verzet, met enige spanning deed ik meester Kees na. Bij mij thuis werd stof en vuil immers met vuur en zwaard bestreden. Gelukkig was er een sluitende verklaring ‘de schillen absorberen het vuil en dat vegen ze met schil en al aan het eind van de avond op’ aldus de jonge meester. Vol overtuiging gooide ik de schillen op de grond. Warm van de kou reden we terug naar huis. Mijn hoofd drukte ik tegen de bewasemde ruit. De stad gleed van mijn af. Eenmaal thuis hoorde mijn moeder mij vol ongeloof aan. Het meeste onder de indruk van het pinda verhaal.‘Zijn ze gek geworden?’

Inmiddels, 45 jaar later, laat ik mijn kinderen regelmatig ons mooie stad zien. Scheveningen is daar een vanzelfsprekend onderdeel van. Onlangs nog liep met een van mijn dochters van de tramhalte naar de haven. ‘Kijk, daar is het Appeltheater. Daar heb ik goede herinneringen aan. Hier begon mijn culturele leven en mijn functionele kennis van pelpinda’s, knipoogde ik er achteraan.’ Zij, als professionele danser opgeleid in Den Haag en gewend te werken met onzekere subsidies, stuurde vorige week een berichtje. ‘Pap heb je het gelezen van het Appeltheater?’ Dat had ik, dat had ik.


Siroop Famel

Naar de dokter gingen we niet zo vaak. Wel naar een soort ‘onderdokter.’ Een grote man in een winkel die tussen de apotheek en de Jamin in zat. Zo herinner ik me de houten kast met daarin grote glazen potten die met hun witte etiketten achter de muur van de toonbank stonden. Planken met daarop verschillende flesjes, doosjes en flacons. De toonbank met z’n kartonnen dispensers waarin heilzame dropjes werden aangeprezen en bovenal de lucht. Een mengeling van zoethout, anijs en medicijnen. Dit alles vormde het decor van de onderdokter of de Drogist zoals die bij ons thuis steevast – netzo als bij alle andere ‘hoge functies’- met zachte stem werd uitgesproken. In dit rijtje paste ook de Dokter, de Leraar, de Tandarts en de Man van de woningbouw. Die, om een voor mij onverklaarbare reden, in het rijtje van de grote vijf was opgenomen. Vaste prik bij ons thuis was, bij een naderende verkoudheid, een lepel Siroop Famel voor het slapen gaan. Dat was een feest, zeker in vergelijking met de lepel levertraan die mijn zus en ik met succes in de ban hadden gedaan. De Drogist pakte, deze inmiddels op de lijst van verboden middelen staande, rechthoekige fles van de plank, en overhandigde die steevast met een advies over de inname. ‘Elke dag voor het slapen is afdoende.’ Zijn imponerende verschijning in de witte jas weerhielden me niet van een tochtje langs het rek met snoep dat per stuk kon worden gekocht. Een stuiver voor een dropmuis en tien cent voor een stroopsoldaat.

Er moet een samenwerkingsrelatie hebben bestaan tussen de Drogist en de Tandarts die mij als ziekenfondspatiënt met plezier hielp. Hij vulde mijn jeugdige tanden enthousiast met zwart amalgaan. Geen genoeglijk treffen aangezien verdovingen alleen nog maar bestonden voor particulier verzekerden. Dat onderscheid konden mijn zenuwen helaas niet maken. Siroop Famel, feitelijk suikerwater met Efedrine, was in elk geval geen goede aanvulling op de tandzorg en al helemaal niet heilzaam voor mijn drukke gedrag. Het bevorderde de aanmaak van adrenaline, verwijdde de bloedvaten en daardoor voelde je je minder verkouden. Een illusie, aangeprezen door een witte jas en een duur etiket.

Maar ja, wat wist je toen? Nu is alles beter, toch?


Er brandt een kaarsje in Den Haag

Er brandt een kaarsje in Den Haag. Niets bijzonders, gewoon een waxinelichtje. Het vlammetje, dat soms buigt voor de wind, verlicht de nacht en overdag de stad. Het staat tussen het Centraal Station, het Nationaal Archief en Letterkundig Museum. Kijk er maar eens goed wanneer u daar loopt, u ziet het vast.

Daar, zittend op een betonnen rand tussen hoge en anonieme gebouwen, schoof hij het plastic tasje achter zijn voeten en nam hij een haal van zijn shaggie. “Zo, bent u de nieuwe directeur? Nou ik ben Martin, we zullen elkaar nog wel vaker ontmoeten.” Hij keek daarbij schalks naar mijn collega met wie ik een fietstour door de stad aan het maken was. Een onderdeel van mijn inwerkprogramma. In de jaren die volgden kruiste onze paden regelmatig. Martin kwam monter als altijd voor een paar maanden bij ons wonen, was regelmatig verdwenen om later weer op te duiken. Dat jarenlang. Voor nieuwe woonvormen was Martin wel in. Een poging om met drie anderen in de wijk te wonen mislukte uiteindelijk. Zijn worsteling met het leven werd door hem treffend in een interview verwoord. “Af en toe lekker buiten slapen maar dan weer fijn na een paar naggies naar mijn eigen bedje en mijn tv-tje.” Een tweede poging lukte beter. Een gedeelde woning pal tegen de beschermde woonvorm aan. Op zijn uitnodiging schoof ik een keer aan tijdens de maaltijd. Martin had gekookt. Pannen op tafel, aardappels, kipfilet, bonen en appelmoes vormden het menu. Het was in alle opzichten sterwaardig. Mijn afwasaanbod werd lacherig afgewezen maar of ik wel een magnetron kon regelen vroeg Martin. “Sommige van die gasten zijn laat en dan is het eten koud, dat kan toch niet?”

Martin werd ziek. Het leven met drank en sigaretten eiste zijn tol. Hij verloor zijn stem en had meer hulp nodig. Zijn bed op de verpleegafdeling bleef ook daar soms onbeslapen. Met scootmobiel en al bleef hij dagen zoek. We zochten en vonden hem, hij bleef sindsdien. Er was ruimte voor persoonlijk afscheid, vol trots wees hij ons op een foto van zijn dochter. Zijn ogen maken een stem overbodig.

Martin had gelijk, ik zou hem nog vaak tegengekomen.


Dat kan ik zelf wel, ik ben niet gek

Als jonge jongen leerde ik het vak van verzorgende. Het speelde zich af in de jaren’70 in een voormalig sanatorium dat dienst deed als verpleeghuis. Naast mensen verzorgen leerde ik  werken met verpleeghulpen, ziekenverzorgenden, verpleegkundigen, de waarnemend hoofdzuster, de hoofdzuster en de dokter. Als leerling stond je onderaan in de hiërarchie en werd je bijgestaan door een praktijkbegeleidster, die je vorderingen keurig bijhield in een aftekenboekje. In de kantine stond een tafel waar alleen de artsen en de hoofdzusters aan mochten zitten en de eerste koffie dronk je staande in het keukentje. Soms moesten de meisjes hun nagels laten inspecteren door de hoofdzuster. Zelf leerde ik dat een lepeltje 'in het verlengde van oortje van het kopje' op het schoteltje hoorde. 

Er waren ook mensen die verzorgd werden. In een van de lange gangen zat steevast een oude, kleine, gedrongen vrouw. Zij was vanaf geboorte gehandicapt en woonde al jaren in het verpleeghuis. Geesje werd bij haar voornaam genoemd, een doodzonde in die tijd. Geesje nam zo vroeg als ze kon haar strategische plek in: een hoek op een kruispunt van twee gangen. Ze begroette iedereen met haar enigszins vervormde stem. Met haar te korte been, de zware hooggehakte schoen vooruit stekend, was ze een herkenbaar baken in de tl-verlichte en weeïg ruikende  gangen. Geesje was in veel dingen beperkt, behalve in haar vaardigheid om zelf te bepalen wat ze wilde. Ze gruwelde van handwerken en andere activiteiten die werden georganiseerd. Ze noemde haar medepatiënten gekke oude mensen of tikte veelzeggend tegen haar voorhoofd. Het lepeltje had bij haar overigens geen functie, ze dronk uit een plastic beker met een tuitje. 

Vandaag de dag word ik in ons hoofdgebouw begroet door een kale man die in de hal zit. Laat ik hem Lou noemen. Hij wordt verzorgd op de verpleegafdeling, is stokdoof en kiest net als Geesje destijds, zijn positie. Lopen kan hij nog net; zwaar hinkend loopt hij naar zijn plek en soms even naar buiten.  Hij compenseert zijn doofheid door hard en monotoon zijn levenswijsheden met iedereen te delen. Hij heeft zo zijn eigen tegeltjeswijsheden. Voor mij bewaart hij: ‘Jij bent knapper dan je broer.’  Wat op zich niet waar is, maar aangezien hij denkt dat een collega mijn broer is heeft hij een punt. Hulp bij het lopen weigert hij: ‘Dat kan ik zelf wel.’ Vandaag zag ik hem met een witte tas, te koud gekleed, naar buiten hinkelen. ‘Ga boodschappen doen, ben niet gek hoor en als ik terug kom maak ik een mooie foto van je.’

Er lijkt veel veranderd. De hoofdzuster is weg en aftekenboekjes bestaan niet meer. De vakmensen zijn nu echt zelf aan zet en vervullen meerdere rollen. Impliciete regels van destijds zijn nu te vinden op de computer. De gangen hebben meer kleur, medicijnen zitten in zakjes en tillen gaat met een tillift. Ik denk niet dat er nog iemand is die aan de juiste positionering van lepeltjes denkt; dat is wel een gemis. Stiekem doe ik het nog wel eens en geniet ik van zo'n klein monument. 

“Iedereen in zijn eigen kracht zetten” is nu het leidmotief. Geen nieuws voor Geesje en Lou. 

 
Een variant van deze column verschijnt in Tranz november 2015


Sport in beeld

Ik kan me niet herinneren dat ik mijn vader of mijn moeder hard heb zien lopen. Sterker nog, ik weet ook niet wanneer ik zelf ergens harder voor ben gaan lopen. Wij waren thuis niet zo van bewegen. Maar we keken er wel veel naar. De “karikikas”, zoals mijn vader de televisie noemde, stond vaak afgestemd op sport. Sport in beeld.  Voorovergebogen zat hij in zijn witte overhemd, de sigaret op de lip, te genieten van anderen die zich in het zweet werkten. Hoewel hij enige voorkeur had voor schaatsen, voetbal en wielrennen, keek hij naar elke sport. Hij leerde zelf pas op latere leeftijd fietsen, en zwemles had hij nooit gehad.

Zo groeide ik op in een passieve sportieve omgeving. En hoewel mijn broer, zus en ik echt wel geprobeerd hebben te sporten, is het nooit iets geworden. We doen niets meer, althans niets dat de moeite waard is om over op te scheppen. Eerst was er nog afgunst, ijdele hoop en goede voornemens. Langzaam zijn die omgebogen van gelatenheid naar ergernis.

Zo is er weinig klein leed dat me zo kan raken als sporten in het openbaar. Mannen die – de buik naar voren dragend – met geschoren benen in een te klein wielrenpak door het landschap toeren. Vrouwen die met rode hoofden, lurkend als een kind aan een zuigflesje, door park en stad ploeteren. Waarom moeten we alles zien? Doe dat achter gesloten deuren en niet achter manshoge ramen in een willekeurig winkelcentrum. Sport uit beeld, wat mij betreft.

Mijn jonge vader werd oud en ziek. Roken deed hij niet meer.  Naar sport kijken nog wel. Soms keken we samen en leverden we commentaar op de prestaties.  Daar hadden we, al die jaren, wel recht op. Ervaren kijkers die naast elkaar op de bank afscheid van elkaar namen. ‘Die ziekte heeft me te pakken, maar ik ga elke dag beneden in de flat de krant halen’, vertelde hij monter. ‘Zo lang ik kan lopen, leef ik nog.’ Dat bleek te kloppen; de krant bleef liggen en hij stierf.  Mijn vader komt vaak langs in mijn leven; zeker wanneer ik naar sport kijk. Heerlijk samen met hem, anderen zien bewegen. 

Gepubliceerd in Tranz maart 2015


Het is bepaald geen rooskleurige toestand

De socioloog is heengegaan. De broodmagere man met het warrige haar en het dunne metalen montuurtje op zijn neus, is niet meer. We kwamen elkaar regelmatig tegen. Hij sprak me meestal direct aan, stotterend en met zijn hand plukkend aan zijn vlassige sikje. Hij liet horen dat hij niet alleen welbespraakt was maar ook weldenkend. “Ik kan, voor u directeur en de organisatie, van grote waarde zijn. Ik ben niet alleen socioloog maar ook bekend met de organisatiekunde, opgedaan in het werkzame deel van mijn leven.” Zijn geest was gewend aan grote hoeveelheden alcohol, zijn lichaam inmiddels niet meer. Hij schoof, wankelde of stond soms stil met vaak die hand plukkend aan zijn kin. De eerste amputatie van een deel van een van zijn voeten maakten zijn mobiliteit minder maar weerhielden hem er niet van naar de overkant van de straat te lopen om aldaar met grote gebaren in het café rondjes te geven. Van de zomer stond ik even naast hem in de tuin, achteloos stotterde hij “het is bepaald geen rooskleurige toestand.” De zachte gloed in zijn ogen vulde de mijne. 

Onlangs nog heeft hij mij een handgeschreven sollicitatiebrief geschreven. Hij zag voor zichzelf een rol als HR manager weggelegd. “Een organisatie in verandering kan wel wat HR ondersteuning gebruiken.” Het verbaasde me niet dat hij iedereen deed verbazen. Al eerder liet hij mij weten dat hij met zijn achtergrond en participerende ervaring een grote bijdrage kan leveren aan mens en organisatie. Ik bedankte hem voor het aanbod en legde onder meer uit dat er geen plaats is voor uitbreiding op P&O.  Een serieuze briefschrijver krijgt een serieus geschreven antwoord.

Weer een operatie verder keerde hij, in rolstoel, terug op de afdeling. Niet lang daarna stierf hij. Een verzorgende stuurde me na zijn begrafenis een speech van een Leidse studievriend en huisgenoot. Uit dat relaas bleek een levensverhaal met zoektochten, een drukkend milieu, drank, depressies, liefdes, afwijzingen, aansluitingen en intellectuele en spirituele ontdekkingen. Hij verkeerde net zo makkelijk met ‘hoog geplaatste’ mensen als mensen die zwierven op straat en in de kroeg. Met non-conformisme als rode draad in zijn leven spoelde hij een aantal jaar geleden aan bij ons en zette daar zijn leven min of meer voort. Proclamerend tegen een ieder die hij tegenkwam maar ook stil en bedachtzaam plukkend aan zijn kin. Participerend onderzoek, zo als hij het zelf zou zeggen. 


Hij was er blij mee

Op de grond zittend, met haar rug tegen de ruit van een fonkelend ingerichte etalage, toont ze de stomp van haar geamputeerde linkerbeen. Ze bedelt. Voor de tweede keer in een korte tijd bezoek ik een stad in Schotland. Daar in het mistige noorden van het eiland, waar overal de Schotse vlag naast de Union Flag hangt, bedelen mensen voor het oog van iedereen. Meestal mannen met een plastic bekertje waar het geld in kan worden gestopt. Op de lange trap die mensen naar de hoog gelegen winkelstraat brengt een man die op zijn hurken met zijn hoofd tussen zijn knieën een bekertje vasthoudt. Eenmaal de trap op of af, is er geen ontsnappen meer aan. Een strategische plek.

Soms iemand die er meer werk van maakt: een hond met in zijn bek een pet waarin voorbijgangers, ontroerd door deze aanblik, geld stoppen en de hond aaien. De eigenaar blijft op de achtergrond zitten met een deken over zijn benen. Of de man met amputaties aan beide benen, die recht tegenover een oorlogsmonument, zich presenteert als iemand die gediend heeft. Hij krijgt zijn deel.

De vrouw zonder been kijkt mensen zo direct mogelijk aan, vouwt haar handen voor haar hart en zegt ‘please.’ Bij een gift in haar bekertje, werpt ze kinderen steevast een kushandje toe. Nadat de gever is verdwenen, pakt ze snel het geld en stopt het in een van de zakken van haar vesten. Ze draagt er wel drie. Op het moment dat het me te ongemakkelijk wordt om te blijven kijken, stopt er een zwarte Audi. Een man in een pak stapt uit, loopt op de vrouw af en geeft haar geld. De man rekt zich uit, kijkt om zich heen en stapt de auto weer in. De vrouw verblikt of verbloost niet.

Ons vertrek nadert. Mijn negenjarige dochter pakt haar roze portemonnee en zegt ‘ik ga dit aan een zwerver geven.’ Ik tel zo acht pond en vraagt of ze alles wil geven. Nou, bijna alles zegt ze en grijpt de meeste muntjes en stopt ze in haar zak. We slenteren door de straten, passeren doedelzakspelers, acrobaten, sieraadverkopers en living statues. Geen zwerver te vinden. Bij het afscheid stopt ze het geld in de handen van haar oudere zus die achter blijft en zegt ‘geeft het maar een zwerver waarvan jij denkt dat die er blij mee is.’  Twee dagen later een berichtje: ‘gedaan, hij was er erg blij mee.’


Dat is goed om te horen

De bruine bakstenen muur met de grijze rechthoekige voegen is het uitzicht van haar kamer naar de gang. Een plaatje van een vaas met bloemen zit gevangen achter spiegelend glas in een witte lijst. Ze wacht op mij, met haar gegipste been echt vooruit op een steun van de rolstoel. Mijn moeder. ‘Gelukkig mag ik naar huis’, zegt ze, nadat ik haar heb begroet. ‘Het was thuis met dat been niet gelukt, maar ik wil echt graag naar huis, begrijp je? Zo leuk is het hier nu ook weer niet en dat beetje fysiotherapie stelt immers niet veel voor. Ik ben daar geloof ik niet meer voor verzekerd.’

We drinken een laatste kop koffie, schudden handen en laten de afdeling Kort verblijf in het voormalige verzorgingshuis achter ons. Met de gehuurde rolstoel en de destijds aangeschafte rollator van pa achterin de auto. De “hulp”, zoals mijn moeder de huishoudelijke ondersteuning consequent noemt, gaat spoedig starten. De buren brengen bloemen. Brieven en brochures van het CAK, het CIZ en de zorgorganisatie liggen opgestapeld te wachten.

Regelmatig doet mijn moeder verslag over gesprekken die ze voert met de gemeente over de inzet van de huishoudelijke hulp, de zorgorganisatie over de verzorging en de praktijk voor fysiotherapie over hoe te oefenen en vooral ook waar? Elke zondag praat ze me bij over haar belevenissen op dit vlak. Steeds vaker overhandigt ze me een stapel post. “Wil jij die rekeningen betalen met de computer? En weet jij waarom die gemeente wil weten hoeveel kinderen ik heb en waar ze wonen? Wat is dat voor flauwekul, ik begrijp het niet, ik heb nog nooit wat gevraagd aan ze.’

 Mijn moeder, een krasse en zelfstandige dame van 83 jaar, heeft in drie maanden contact gehad met een kliniek voor orthopedie, twee ziekenhuizen, de huisartsenpraktijk, het laboratorium, de apotheek, de fysiotherapie, de afdeling Kort verblijf, de thuiszorgwinkel, een internetwinkel voor speciale schoenen, het WMO loket, het CAK en diverse specialisten. Blijf dan maar eens rustig.

Een nieuwe heup en een herstelde beenbreuk verder loopt ze, weliswaar met de rollator van pa, zelfstandig en is ze thuis. Bij het schoonhouden van haar woning wordt ze geholpen. ‘Je weet, mijn huisje is mijn alles maar het moet wel schoon zijn. Ik heb nu een frisse leuke meid. Ze heeft gezegd dat ze bij me mag blijven, daar ben ik zo blij mee.’ Ik leg mijn hand even op de hare, sta op en pak de post.

‘Dat is goed om te horen ma. Dat is echt goed om te horen.’ 


Sinds kort leef ik weer

Wiebelend van het ene been op het andere, legt hij uitvoerig uit wat er allemaal te zien valt in zijn kamertje. Zijn bed is opgeklapt tegen de muur, de muren hangen vol met tekeningen, foto’s en prentjes. Zijn trots is een zelfgemaakte tekening van een van de medewerkers, het is een impressionistische weergave, zo maak ik op. Hij wil me graag spreken, want ‘het is hier niet meer zo als vroeger’ en riep mij zijn kamer in. ‘Er lopen steeds meer mensen hier die niet goed bij hun hoofd zijn en ook verslaafd, terwijl ik geen druppel drink, ja vroeger wel, maar dat is toch geen zonde?’ Hij kent het huis goed, ‘mijn vader zat hier namelijk ook al’ vertelde hij, terwijl hij zorgvuldig een grijze lok van zijn haar op zijn plaats legde. ‘Dat gaf hem toch wel enige rechten?’ Ik knikte begrijpend en liep achterwaarts de kamer uit, de lege grijsgroene gang op. Tussen de zinnenprikkelende inrichting zag ik in mijn ooghoek dat de kieren van de laden van de enige kast in zijn kamer waren volgepropt met papiertjes. Heimelijk hoopte ik dat hij hier zijn wensen en gebeden op had geschreven.

Nog geen drie meter verder riep een andere bewoner me binnen. De man, begin vijftig, tanig en voorzichtig bewegend, sloot zorgvuldig de deur achter me. Nadat mijn ogen waren gewend aan de duisternis zag ik dat zijn kamer groter was dan van zijn buurman en uitkeek op de tuin. De herfst toonde zich in vol ornaat, de bladeren vormden een zachte deken op het gras, het groen had zich verstopt. We bleven staan, ook hij wiebelde zachtjes heen en weer, de cadans van medicijnen. Hij keek langs me heen naar een denkbeeldig punt op de muur en vertelde dat hij en zijn broer het hier goed hadden. “Hoewel ik meer geef om mijn broer dan hij om mij.’ Lachte hij met een zachte, ironische glimlach. “Ik vermaak me hier wel, soms ben ik beetje baldadig, maar meestal niet.’ Hij drukte zijn brandende sigarettenpeuk met draaiende bewegingen uit in zijn handpalm. Het restje hield hij in zijn vuist. ‘Weet u, ik leef sinds kort weer’ met interesse wachtte ik zijn de rest van het verhaal van zijn wedergeboorte af. ‘Ik heb aan de begeleiding mijn verhaal kunnen vertellen, ik ben als jongen misbruikt door een Pater. Het luchtte op het te vertellen; vanaf die dag leef ik weer.’

De stilte vulde de kamer. De bruingrijze takken van de boom zwiepte lang zijn raam. Nog even en dan laat het groen zich weer zien. 

 


De lift

Grommend laat een man in een scootmobiel zijn ergernis blijken als de lift niet snel genoeg naar beneden komt. Zijn vrolijke ronde gezicht met volle witte baard contrasteert met zijn blote onderbeen dat schuin naar rechts uitsteekt; de helft van zijn voet ontbreekt. Evenals een schoen of sok. "Gaat u gang", zei ik, een overdreven hoffelijke buiging makend. De man manoeuvreert behoedzaam de lift in en ziet zichzelf in de spiegel die de achterwand beslaat. De deuren sluiten de zo kenmerkende liftstilte in. Bij de eerste verdieping steekt de man behoedzaam zijn karretje achteruit. De geamputeerde voet schamp de deur en blijft in mijn gedachten steken. De lift kiest zijn eigen weg en gaat weer naar beneden.

De begane grond. De deur gaat open en een jonge vrouw stapt haastig in, en drukt op een knopje. Op haar handen houdt ze voor zich uit een - in plastic zak ingepakte - taartdoos. "Zo, wat te vieren" doorbreek ik de stilte. Ze kijkt me aan, haar donkere ogen beoordelen me razendsnel. "Ja ik heb een huis en dat wil ik vieren" zegt ze met een hese, donkere stem. "Goh, dat is fijn zeg, heb je er lang op moeten wachten?" En dan gebeurt het. Ze strekt haar lichaam, schudt haar haren uit haar gezicht weg kijkt me eerst in de ogen en dan naar het plastic pakje dat ze voorzichtig op haar handen draagt en zegt "Nou het duurde wel lang maar ik korter dan ik me had voorgenomen te werken aan de ellende waarin ik terecht gekomen was. Ik gaf mezelf een jaar om het goed te regelen en die shit op te lossen. Nu heb ik dan eindelijk weer een plek voor mezelf." Het signaal van de lift kondigt het bereiken van de etage aan, ze stapt bijna in draf uit, alsof ze bevrijd is van het beest dat haar jarenlang beheerste.

Een lange slungelige jongen wisselde met haar van plek, zijn getatoeëerde nek stak onder zijn te grote ADO shirt uit. "Zo, ga je op stap? dan zal je eerst me mij naar de vierde moeten." "Maakt niets uit hoor, ik heb de tijd" zei hij vriendelijk en terwijl ik me omdraaide om hem gedag te zeggen bij het uitstappen zag ik hem voor de spiegel staan, onhandig zijn shirt rechttrekkend. Op de rug een nummer, een nummer van zijn held. Mijn dag is begonnen. 


Een doods stilleven

Een broodmagere man lag, onder gesteven witte lakens, voor me op bed. Zijn ingevallen tandeloze mond hapte naar adem terwijl zijn armen stuurloos probeerde me beet te pakken. Zeventien jaar was ik en waste de eerste man in mijn leven. Daarbij werd ik geholpen door ‘zuster Blijleven.’ Hoe ironisch dat ook klinkt, de ironie had de deur - van deze struise zuster op leeftijd - niet geopend, zelfs niet gepasseerd. “Kom jong” sprak ze me toe met een Gronings accent, “ik laat wel even zien hoe je iemand moet wassen.” Onhandig stond ik daar in een wit broekpak te hannesen met een doodzieke man.

Toen hij naar mij toe was gedraaid en ik hem in positie hield door zijn gebogen been bij de knokige knie vast te houden, hoorde ik een langzame kreun uit zijn keel vertrekken. Zijn ogen draaide naar boven, de adem stopte. “Uuh, zuster, volgens mij is hij uuh…dood.” Resoluut stak ze haar harde handen uit het blauwe schort met gekruiste witte banden en trok de man op zijn rug. Zijn laatste zucht lucht vulde de kamer. “Tja jong daar heb je gelijk in, nou kom we wassen direct verder dan weet je ook hoe je moet afleggen.” Automatisch voerde ik de handelingen op haar aanwijzingen uit. Later die dag liep ik ‘kamer 10’ in.

Na een paar weken begreep ik waarom de zusters en een enkele broeder fluisterden als ze het over ‘kamertje 10’ hadden. Daar stierven mensen. “U moet naar kamertje 10”, was een aankondiging van het einde. Nog tien dagen, dacht ik wel eens wanneer we daar een bemenst bed naar toe reden, en dan stopt de tijd.

De uitgeteerde man van middelbare leeftijd lag gekleed in een bruin kostuum met een spitse neus en letterlijk met ‘een mond vol tanden’ onder een strak wit laken. Onder zijn kaak lag een witte opgerolde handdoek. Zijn haren in een scheiding en handen gevouwen boven het laken. Halverwege lag een deken teruggeslagen. Het einde met een keurige vouw ingestopt. Een doods stilleven. Om zijn pols tikte een horloge. De seconden werden weggeduwd door een twijfelende goudkleurige wijzer. Ik raakte even zijn handen aan, voelde de kou en liet hem achter in de kamer. Mijn blik gleed over zijn foto van vroegere jaren die in een zilverkleurig lijstje naast hem op een oud en vervallen nachtkastje stond.
Ik deed het licht uit en nam de herinnering mee.

Tot de dag van vandaag.


Het is maar hoe je ernaar kijkt

Honderd jaar is niet niks en tegelijkertijd stelt het eigenlijk niet zo veel voor. Het is maar hoe je ernaar kijkt. Neem je jezelf als ijkpunt (de menselijke maat), dan is een eeuw vermoedelijk langer dan de meesten van ons zullen leven (uitzonderingen daargelaten!) en dus een hele periode. Zodra je een eeuw afzet tegen de leeftijd van de aarde zoals wetenschappers die zien, dan stelt het niet zo veel voor. Het wordt al weer anders als je de leeftijd van de aarde beziet vanuit een theologisch standpunt .

De manier waarop we kijken bepaalt wat we zien. Dat geldt ook voor het maatschappelijke vraagstuk waar de Kessler Stichting zich al honderd jaar mee bezig houdt. Zijn er daklozen die buiten hun schuld uit de rails zijn gelopen? En moeten we die met behulp van al wat er is in onze ontwikkelde samenleving helpen door ze op te vangen en te verzorgen? Of zijn er daklozen omdat we ze te weinig prikkelen om goed voor zichzelf te zorgen, en moeten we hen min of meer aan hun lot overlaten, zodat zij zelf overgaan tot actie? Is de samenleving te veel gericht op presteren en meedoen waardoor er een groep mensen is die dit niet meer volhoudt? Of besteden we te weinig aandacht aan die achterblijvers en moeten we ze blijven stimuleren? En als we dan stimuleren, doen we dat met belonen of sanctioneren? Dat zijn vragen van de huidige tijd.

Wat je ziet, wordt bepaald door hoe je kijkt. Dat geldt ook voor ‘de maatschappij’ als geheel. In de beginjaren werden zwervers of landlopers tamelijk imperatief benaderd. Ontsmetten, verplicht douchen en werken voor de kost. Nu, honderd jaar later, praten we over ‘sociaal kwetsbaren’, maken we een persoonlijk plan, zijn zwervers cliënten en benaderen we hem vanuit een methodiek waar respect, acceptatie en eigen kracht belangrijke uitgangspunten zijn. Minder verplichtingen en meer verleiden naar andere perspectieven; een mix van verschillende visies.

Honderd jaar Kessler Stichting in Den Haag. Het is een boeiende periode waarin aan de problemen van mensen die niet zo goed mee kunnen komen, niet zo veel veranderd is. Wel aan de manier waarop we tegen hen aan kijken.

Dat is mooi, net als ieders leven zou kunnen zijn.

(column uit jubileumkrant)